mijn aanwezigheid

mijn aanwezigheid

Als het voetvolk Brussel verovert

pogingen tot impactGeplaatst door Joost Vandecasteele wo, juli 22, 2015 19:22:11

(Bijdrage De Standaard, foto's copyright Geertje De Waegeneer)

Al twee weken zijn de centrale lanen van onze hoofdstad een voetgangerszone en al twee weken wordt die ingreep vervloekt en bejubeld. Volkomen terecht. Mijn naam is Joost Vandecasteele, ik ben een voetganger in Brussel. Dit is hoe het begon en hopelijk nog niet eindigt.


De volledige tweede helft van mijn leven speelt zich tot nog toe af in Brussel. Dat is de stad waar ik alle clichés van volwassen worden heb afgevinkt op mijn lijstje. En dus ook de plek waar ik heb leren autorijden.

Met een taalbarrière even groot als mijn angst om op de baan te gaan, begon ik in juni 2007 aan mijn eerste les. Ik had wel aan de rijschool gevraagd of ze een Nederlandstalige op voorraad hadden en ik kreeg als antwoord dat ze wel iemand tewerkstelden die eventjes in Nederland had gewoond. Een man die daar blijkbaar één enkel werkwoord had opgepikt, namelijk trekken. Zodat ik elke les te horen kreeg dat ik aan mijn gas moest trekken, aan mijn rem moest trekken en aan mijn ontkoppeling moest trekken. Het duurde een tijdje voor ik snapte dat hij met trekken eigenlijk duwen bedoelde. De rest van onze conversatie verliep in een mengelmoes van slecht Nederlands, nog slechter Frans en – als het echt nodig was om botsingen te vermijden – Engels. De taal der nachtwinkeltransacties dus.

Na enkele lessen achtte hij mij klaar voor het examen en zelfs voor het huwelijk, aangezien hij nog een vrouw kende die zo goed koken en schoonmaken kon, maar helaas niet de juiste verblijfsvergunning bezat. Ik weigerde beleefd en hij leek werkelijk teleurgesteld. De rest van de les zette hij de radio loeihard, want volgens hem moest ik ook leren rijden met te luide slechte muziek. Helemaal op het einde gaf hij mij nog deze gouden raad:

‘Zie je hoe al die andere auto’s hier rijden? Doe niet zoals hen op het examen en je bent erdoor.’

Acht jaar later heeft hij nog steeds gelijk. Want acht jaar later is de egoïstische automobilist volledig verantwoordelijk voor zijn eigen uitsluiting in het centrum van Brussel.



Brute taxichauffeurs

De prelude tot de huidige testfase van enkele maanden ging gepaard met de voorspelbare parade van de bewust ongeïnformeerde en de permanent bezorgde handelaars. Zo interviewde TV Brussel taxichauffeurs aan hun standplaats bij de Beurs. Ze wisten uiteraard van niets, ook al hing boven hun hoofden al weken lang een spandoek met de boodschap ‘Vanaf 29 juni voetgangerszone’. Maar misschien kijken Brusselse taxichauffeurs ook niet vaak naar boven tijdens hun jacht op Uberwagens. Dezelfde Brusselse taxi’s die nu allemaal op hun portier een sticker hebben met ‘Samen rijden we maatschappelijk verantwoord’, iets wat zo heerlijk ironisch klinkt vanwege hun bruut rijgedrag. Even onverklaarbaar als hun uitzonderingsstatus tijdens autoloze zondagen is het feit dat taxi’s nog steeds in de voetgangerszone mogen rijden. Want toeristen, de eigenlijke doelgroep van deze ingreep, moeten natuurlijk opgepikt kunnen worden. Het plaatst hen in de rangorde boven bewoners, zieken en gewonden, aangezien hulpdiensten wel de route rondom de voetgangerszone moeten volgen.

Bye bye, auditief geweld

En toen brak de dag aan. Een maandag, dus eerst nog mijn zoon naar school brengen. Zijn schoolpoort is recht tegenover een ingang van een ziekenhuis en dus in een straat met een onuitroeibare plaag van dubbelparkeerders. Die straat maakt deel uit van de fameuze miniring waar fietsers zich nu veilig moeten voelen op hun suggestiestrook.

Ik stapte terug de helling af, naar het onduidelijke begin van de zone, het Fontainasplein, een afgesloten eilandje van asfalt tussen twee straten waar nog auto’s mogen rijden. Een plek niet alleen in de war over haar rol in het circulatieplan, maar ook over de grondregels van persvrijheid, aangezien een stadswachter de fotografe meteen verbood foto’s te nemen. Alsof het een verrassing moest blijven. Of misschien was er een schaamte over de beperkte middelen die gehanteerd werden, enkele dranghekken en een boomstam.


Met genoeg scepsis om bijna het hele project te bestempelen als een nobele doch mislukte poging, begaf ik mij richting Beurs. Onderweg overkwam mij iets wonderlijks, voor een buitenstaander waarschijnlijk iets weinig bijzonders, maar voor een Brusselse bewoner een klein mirakel dat mij deed geloven in de slaagkansen van het circulatieplan: voor de eerste keer in achttien jaar bleef ik een uur lang gevrijwaard van het nijdige geluid van een toeter, een afwezigheid van auditief geweld die mij bijna ontroerde.

Het is mij ook steeds een raadsel gebleven hoe het getoeter is geëvolueerd van zijn officiële functie als waarschuwing naar een passe-partout van elke mogelijke expressie achter het stuur. Zoals het mij een raadsel is waarom de auto-industrie hardnekkig het volume blijft opvoeren. Er worden wagens geproduceerd met de meest geavanceerde technologische snufjes en toch blijft de toeter al generaties lang dezelfde schrille claxon. We kopen auto’s met evenveel knoppen in het dashboard als in de cockpit van een vliegtuig en toch bestaat er geen knop voor een tweede milde toeter die als begroeting kan dienen. Of zelfs gewoon een die in plaats van het scherpe geluid zinnen vormt als ‘Hey, jij daar, auto voor mij, je vormt geen gevaar, maar je irriteert mij, dus daarom druk ik op deze knop’. Ik neem geen patent op deze ideeën, dus doe maar, beste auto-industrie.

Roodgroene Taliban

Het was de relatieve rust die mij deed beseffen hoeveel ruimte de auto in Brussel reeds onterecht heeft opgeëist en hoe onwillig hij blijft om die weer af te geven. Dit zeg ik na jaren in het Brusselse verkeer te vertoeven, met andere automobilisten en hun overtuiging dat fietsers geen medeweggebruikers zijn, maar obstakels op hun grondgebied, dat zebrapaden geen voorrang bieden aan voetgangers, maar finishlijnen vormen voor een spurtje, dat fietspaden eigenlijk bedoeld zijn als parkeerplaatsen en dat elk commentaar op hun gedrag beantwoord mag worden met agressie.

Mogelijk worden deze zinnen geïnterpreteerd als een heksenjacht op de automobilisten, waarbij ik mezelf out als lid van wat hun patroonheilige Jean-Marie Dedecker omschrijft als de roodgroene Taliban. In een recente column beschuldigt hij die fanatici ook ervan dat ze ‘doof blijven voor de soundtrack van de zwijgende meerderheid’, iets wat mij fysiek onmogelijk lijkt. Hij verklaart hun haat voor de auto als een afkeer van vrijheid. De gedachte dat een mens pas echt vrij is als hij elke afstand overbruggen kan met een wagen, zit diepgeworteld in de psyche van de chauffeur in Brussel.

Daarom spreekt deze stad niet enkel over een fysieke verandering, maar ook over een mentaliteitswissel, niet enkel in de hoofden van bestuurders, maar ook in die van de voetgangers zelf. De sensatie van die eerste dag is nog het best omschreven door de schrijver Geert van Istendael. ‘Het is alsof er een bom ontploft is.’

Lege krater

De voetgangerszone was als een lege krater die behoedzaam betreden werd door wandelende ramptoeristen, nog op hun hoede voor de verstrooide chauffeurs die blind vertrouwden op hun gps en voor niet zo verstrooide chauffeurs die zich onkwetsbaar en ongenaakbaar waanden omdat ze nooit tegengesproken werden.

Die eerste dag leek de zone niemand echt toe te behoren, een beetje zoals de stad zelf. En misschien ligt in dat onbestemde gevoel de reden voor de recente verloedering, met berichten over hoe elke ochtend de wandelstraten de allure van een open stort vertonen. Want waarom moeite doen om een plek proper te houden als ze jou toch niet toebehoort?

Maar eigenlijk is er sprake van een selectieve verontwaardiging. Het nieuws dat de Anspachlaan te maken heeft met uitpuilende vuilnisbakken en zatlappen die hun roes in bloembakken uitslapen, is zo oud als de straat zelf. Na achttien jaar kan ik stellig zeggen dat het altijd zo vuil geweest is, of waren we soms voordien verblind door de uitlaatgassen? Als ik ’s morgens vroeg de zone betreed, zie ik weinig verschil met hoe dezelfde straten erbij liggen na een vakbondsbetoging of na een voetbaloverwinning. Dan is de stank en de rotzooi even walgelijk als op het Luxemburgplein wanneer expats en eurocraten zich een nacht hebben volgegoten met alcohol. Dan is de rotzooi even immens als na de zondagmarkt aan het Zuidstation en na de rommelmarkt op het Vossenplein.


Zwoele avond

Maar het klopt wel dat de zone nog steeds voelt als een wat vage plek. De invulling ervan is volledig afhankelijk van haar bezoekers. En soms komt het allemaal op zijn pootjes terecht. Dan spendeer je uren aan het langgerekte bankje met een houten klimrek waarvan je tijdschriften kunt plukken, geleverd door de steeds uitmuntende hoofdstedelijke bibliotheek. Dan wordt de hete namiddag een zwoele avond en worden de bankjes picknicktafels voor de aperitiefhapjes. Dan wordt bedtijd voor de kinderen nog met een uur uitgesteld en worden we allemaal hangjongeren ongeacht de leeftijd.

Maar nogmaals, deze ideale situatie staat of valt met de goodwill van de aanwezigen. De setting zelf straalt weinig plezier uit. Wat zandbakken her en der om petanque te spelen en podia om passanten te kijken, met genoeg ruimte ertussen zodat elke dag tot elf uur toch nog auto’s erdoor kunnen. Zodat de voetgangerszone lijkt op een tijdelijke gedoogzone voor niet-gemotoriseerden, de witte lijnen op het asfalt nog niet afgesleten door schoenzolen.

Het halfslachtige van het project zou ook zijn doodsteek kunnen zijn. Zolang het lijkt alsof het elk moment weer opgegeven kan worden, door de dranghekken weg te nemen en de bankjes aan de kant te schuiven, zal het nooit als een werkelijk verkeersvrije oppervlakte voelen, maar als een soort annex van Brussel Bad, met iets minder zand en zonder cocktailbars.

Zuurstof

Maar het grootste gevaar is de snelle tevredenheid van de initiatiefnemers. Natuurlijk ben ik er mij van bewust dat de ware voortrekkers de mensen zijn achter Picnic The Streets en Velodossier BXL. Maar het is vrij onrustwekkend hoe gemakkelijk de stad Brussel zich blijft verstoppen achter het argument dat het maar een testfase is. Er zijn nog te veel hiaten en zwakke plekken om het als een succes in wording te bestempelen. Ik bedoel niet enkel dat de auto’s cirkels mogen blijven rijden rond de terrassen van het Sint-Goriksplein, twintig meter van het Beursplein. Dat is snel te verhelpen, zelfs tijdens de testfase.

De ware uitdaging ligt in alle straten rond de zone. Daar zijn de voetganger en de fietser nog steeds paria’s voor zij die vinden dat richtingaanwijzers iets voor mietjes zijn. Hun te hoge snelheid wordt aangemoedigd door een stad wiens vijfhoekige begrenzing uit snelwegen bestaat, als een racebaan rond het centrum. Dus laat de voetgangerszone alstublieft geen excuus zijn om de rest van Brussel ongemoeid te laten. Want dan vervliegt het circulatieplan even snel als zuurstof tijdens de spitsuren.



  • Reacties(0)//blog.joostvandecasteele.be/#post130