mijn aanwezigheid

mijn aanwezigheid

Roman in wording deel 3

pogingen tot impactGeplaatst door Joost Vandecasteele ma, oktober 23, 2017 13:02:33

De volgende ochtend begint vroeg, veel te vroeg voor de twee volwassenen in dit huis. Toch benut geen van hen dat extra uur van broodnodige rust voor de dag werkelijk losbarst met al haar verplichte beslommeringen. Niet omdat het koppel het elkaar niet gunt als een soort symptoom van een verroest huwelijk dat toch al meer dan tien jaar lijkt stand te houden. Maar vanuit een vaag restant van genegendheid ontstaan toen hun relatie in volle bloei stond, het idee dat alleen ontbijten het begin van het einde zou betekenen, ooit geformuleerd in een film die ze ooit samen zagen. Met als gevolg dat Esther en Simon nu suf aan weerszijden van de ontbijttafel zitten, verwikkeld in een gesprek gereduceerd tot gegrom en geknik, elk gebogen over een krant. Zij de papieren versie, hij de digitale versie weliswaar met de papieren weergave. Want hij houdt ervan om met zijn vinger over de hoek te wrijven en zogezegd een blad te kunnen omslaan. Toch vraagt hij nooit om te wisselen. ‘Dat is niet hetzelfde gevoel, zo’n echte krant,’ zei hij toen Esther het eens voorstelde.

De reden voor hun vroeg ontwaken heeft al lang zijn boterhammen met choco naar binnen geschrokt en springt nu even energiek als de tekenfilmfiguren op de zetel. Er bestond wel weken geleden een verbod op televisie kijken voor Felix naar school vertrekken moest, vertaald in telkens een verveelde nee wanneer hij erom vroeg. Maar aangezien hij deze vraag dagelijks herhaalde en de laatste tijd reeds om vijf uur ’s ochtends, nadat hij pas om midernacht in slaap was gevallen, stond te zeuren hoe hard hij zich verveelde, was dat verbod snel verveld van een “Nee, dat weet je toch” tot een “Oké dan, maar eerst boterhammen eten”, om het toch een beetje te doen klinken als ouderlijk gezag, vanuit de naïeve gedachte deze toegifte in de onvoorziene toekomst terug te kunnen draaien.

Of gewoon vier jaar te wachten tot hij als puber weigert op tijd uit zijn bed te komen. Intussen heeft heel het gezin zich aangepast aan het ritme van het kind en sleuren de twee ouders een joekel van een slaaptekort met zich mee.

Om de stilte te breken die enkel verstoord wordt door gegeeuw en schril gegil uit de woonkamer schakelt Esther de radio aan, waarbij ze nauwlettend haar verkleurde knokkels afschermt. Vanmorgen nog snel de verwonding op haar wang verzorgd en verstopt onder een laag make-up. Nu zit ze hier helemaal opgemaakt om even heen en weer naar school te stappen, zodat ze toch kan pretenderen dat ze nog naar een kantoor moet.

Omdat het nieuws in de krant ondertussen tegengesproken wordt door de radio legt ze de gazet weg en staart ze afwezig door het keukenraam. Het nieuws prevelt iets over een politiek schandaal ergens in het zuiden en indrukwekkende sneeuwstormen ergens in het noorden. Niks over drie zwaargewonde mannen ergens vlakbij. Ze betrapt zich op een prik van teleurstelling, dat haar daden onopgemerkt blijven, los van een zoveelste onderzoek opgestart door de politie. Misschien wil ze één keer een nieuwslezer horen slikken bij het opsommen van verwondingen die zij heeft veroorzaakt, of gewoon zien hoe Simon reageren zou bij een verslag over een te vrezen wraakgodin. Ze wil weten of hij het weglachen zou of minachtend zijn hoofd schudden, wat hij pleegt te doen bij elk bericht over een beroemdheid. Zoals nu met de aankondiging van een nieuwe televisieprogramma getiteld “Tijd voor trollen”, waarin de meest gemene tweets naar bekendheden worden nagespeeld voor de persoon die de belediging verstuurd. Een soort make-a-wish foundation voor mannen met terminale haat in hun botten.

Esther wil weten of ze het ooit vertellen kan, haar verborgen kracht. Een onderwerp dat zich nog nooit spontaan heeft aangeboden en nog nooit is een ruzie zo ontspoord dat hij het aan de lijve mocht beleven. In tegenstelling tot relaties voorheen.

Zo kreeg haar eerste lief nog het zwaarst te verduren, weliswaar niet helemaal onterecht. Het begon zoals een weekendfilm het zou ensceneren met een ontmoeting tussen een good girl en een bad boy. Haar krachten op dat moment nauwelijks meer dan vlagen van vlammende furie, overtuigd dat elk meisje zo’n fase tijdens de tienertijd beleefde en het dan afschudde om te vervellen tot een gedienstige vrouw met alle woede verwijderd uit haar systeem. Dat dacht ze toch toen en vragen aan haar moeder was geen optie, aangezien deze zich weinig aantrok van haar dochter sinds het vertrek van haar man. Zodat Esther genoodzaakt was om alle veranderingen in haar lijf zelf te analyseren, van haar maanstonden tot de onstuitbare goesting om de ogen in de kassen te duwen van elke puberjongen die opmerkte dat haar billen meer vlees bezaten dan haar borsten. Of de niet te temperen zin om die ene man op de bus tegenover haar met zijn hand knijpend in zijn kruis te trakteren op een uit de kom gerukte schouder en zestien blauwe plekken in de vorm van een hartje op zijn uitpuilende buik. Dat soort puberale fase.

Esther groeide op, in permanente concentratie om haar kracht te onderdrukken als een stotteraar in tijden van nervositeit. Ten volle bewust van de schade die ze kon, maar nooit mocht aanrichten. En het enige wat haar enigszins en even geen freak deed voelen, was hem. Samen met de ongekende overrompeling van verse verliefdheid.

Ze was toen veertien jaar en hij ook maar al meer ervaren in het benaderen van het andere geslacht. Dus het was hij die haar aansprak en absoluut zeker niet omgekeerd. Het gebeurde in het park waar allemaal verspreid groepjes scholieren rokend en roddelend de schoolbel aftelden, in verschillende gradaties van coolheid.

Esther werd pas toegelaten in de samenscholing rond het belangrijkste bankje, dat met een standbeeld in de buurt om achter te verschuilen voor meer volwassen vertier, op zijn uitnodiging. Gevolgd door een allesbehalve eloquent en weing subtiel compliment over haar houding op de fiets dat haar vreemd genoeg niet kwaad maakte. En het ontbreken van boosheid leek te betekenen dat hij de moeite waard was, argumenteerde ze.

Verlegen vervoegde ze het gezelschap en aanvaardde ze een half opgerookte sigaret. Haar eerste ooit, maar ze had haar moeder genoeg geobserveerd om te weten hoe men niet al te gulzig inhaleren moest. Wanneer het rinkelen weerklonk en de rest van hun gezelschap zich naar de speelplaats haastte, waren zij de enige twee die achterbleven. Zonder dat hij het haar had voorgesteld. Als na een geslaagde test van haar toewijding kreeg ze een kus op de mond, zijn tong plagerig langs haar lippen. Voorbij haar mond liet ze hem niet toe, uit angst om de gevangen gebrande geur van sigaretten te bevrijden, ook al hield hij zelf nog een gedoofde peuk tussen zijn vingers. Vijftien minuten later glipten ze samen de school binnen, hun lippen nog tintelend en opgewonden over hun eerste gedeelde minimale misdrijf.

De week erop waren ze hopeloos te laat en bleef de schoolpoort onverbiddelijk dicht. Dan maar de rest van de dag spenderen in onbekend gebied, besloten ze, in een stad wanneer iedereen voor een paar uur leek te verdwijnen in klaslokalen en vergaderzalen.

Als uit een boek dat Esther ooit heeft gelezen, over een alternatieve werkelijkheid waar elke straf, van gevangenis tot boete, omgezet wordt in schaamte. Met officiële commissies om de juiste dosis vernedering te koppelen aan elk specifiek misdrijf. Zo lopen er beëdigde stadsbeambten rond die een sluikstorter in het gezicht mogen spugen. Bij lichte misdrijven worden niet de jonge overtreders opgepakt, maar hun moeders naar de cel gestuurd, voor dat beetje extra schande voor de familie. En de zwaarste misdaden worden dan weer bestraft door een heel bataljon aan internettrollen losgelaten op iemand zijn of haar online identiteit. Met als meest efficiënte methode het besmeuren van profielfoto’s op Facebook met erbij gefotoshopte beelden van penissen. Omdat deze shaming door de staat zo succesvol bevonden wordt, trainen politie-eenheden zich in slut shaming, fat shaming en mum shaming. Er ontstaan kliklijnen bemand door bejaarden die allemaal roddels moeten aanhoren en noteren. Er worden websites opgericht en rondgemaild over de ergsten onder ons. En op den duur wordt buiten komen te gevaarlijk, uit angst om een wet te overtreden en voor altijd digitaal gebrandmerkt te worden. De enigen die nog buiten durven, zijn zij die nooit op internet hebben gezeten, maar die tellen sowieso niet mee. Steden verworden tot niemandslanden en iedereen blijft gewoon binnen, voor de zekerheid.

Ze was ergens halfweg gestopt met lezen en wist niet of er nog een moraal van het verhaal opdook op het einde. Maar ze vermoedde iets in de trant van “fantasie is de max en pesten is stom”.

Kolkend door hun opgewekte onstuimigheid begonnen Esther en haar grote liefde for ever and ever and ever en heel even te fantaseren dat ze werkelijk onzichtbaar waren, een illusie getriggerd wanneer een agent op de fiets hen negeerde. De fantasie werd een overtuiging, nooit een goed begin, en ze gingen deze theorie in praktijk omzetten.

De diefstaf was zijn idee, haar voorstel om wat gekke bekken te trekken naar voorbijrijdende bussen wees hij af wegens te kinderachtig. Deze weinig flatterende opmerking flakkerde even een eerste tinteling van haar kracht op. Maar deze kreeg ze onder controle door nagels in haar eigen handpalm te boren, haar eerste daad van onderdanigheid om zich daarna weer te laven in de sensatie van begeerd te zijn. Hij koos voor een supermarkt om de hoek, wegens de chips die hij het liefst lustte. Iets beters kon hij niet verzinnen om hun nieuw verworven vermogen om verborgen te blijven uit te testen.

En iets beters dan een sorry kreeg hij niet uit zijn strot wanneer ze beiden bij de kraag werden gegrepen door een veiligheidsagent van de winkel en meegesleurd naar zijn kantoortje. De imposante man boog zich voorover en spuwde de retorische vraag van wat ze van plan waren in hun gezicht.

‘Niks, meneer,’ stamelde de jongen.

De man richtte zich nu naar Esther en vroeg wat haar excuus was. Ze zei niks, vanuit de veronderstelling dat hij geen zinnig antwoord verwachtte. Maar blijkbaar was dat een vergissing, aangezien de veiligheidsagent haar stilte interpreteerde als arrogantie.

‘Heb je niks te zeggen of wat? Of ben je echt zo dom als je eruit ziet.’

Opnieuw klonk het als een retorische vraag en opnieuw bleef Esther zwijgen. Maar de belediging transformeerde in haar de verlammend angst tot een heftige drang om hem te laten boeten. Het enige wat haar tegenhield, was haar eigen schuldbesef. Maar dat vervaagde meteen bij zijn “goeie” raad die erop volgde.

‘Luister hier, meisje, met dat soort kereltjes begint het zo en eindigt het met jou zwanger op je zestiende. Met als enig voordeel dat jij eindelijk tieten zult hebben.’

Om hem een kans te geven haar eren te redden, keek Esther nog even naar haar lief naast haar, maar deze hing daar als een inééngezakte pop met de enorme hand rond zijn bovenarm die omhoog hield. Dan maar zelf regelen, redeneerde ze.

Ze omklemde haar vrije hand in een vuist, wat de man opmerkte en hilarisch vond. Zijn gelach even bulderend als zijn bevelen. Maar na één mokerslag van Esther net naast zijn neus stopte zijn gegrinnik en loste hij zijn grip. De jongen viel als een wezen zonder botten neer op de plakkerige vloer en bleef liggen in de hoek, snikkend.

Veel bijstand moest ze niet verwachten van hem en zette zich schrap voor de reactie van de securitykerel. Deze had zich al hersteld van zijn initiële verbazing en was niet zinnens zich in te houden voor een meisje half zijn leeftijd. Wegvluchten was ook geen optie, aangezien hij de uitgang versperde.

‘Jij gaat afzien, stomme trut.’

Een dreigement om zichzelf op te peppen, maar ook Esther vervulde met een onoverwinnelijke kracht. Wanneer hij haar vastgrijpen wou om door elkaar te rammelen, alsof hij dacht dat men goed gedrag opwekte door goed te schudden om de brave bubbels in het brein te doen borrelen, kreeg hij nog een slag te incasseren. In volle ongeloof over haar kracht viel hij haar opnieuw frontaal aan. Haar eerste slagen verstomden hem, haar laatste slag vernietigde hem.

Zo hard belandde haar vuist tegen zijn aangezicht dat zijn neus verbrijzelde en zijn benen hem niet meer rechtop hielden. Als een gebouw gedoemd tot sloop stortte de man in elkaar.

Haar quasi-lief bekeek het tafereel met open mond en dook nog meer in elkaar, bang dat Esther nog niet voldaan was in haar wraak. Maar even snel als het zich injecteerde in haar lijf verdween de woede en vroeg ze oprecht bezorgd of hij zich had bezeerd. De jongen schudde van niet en wees naar de afgeranselde man.

‘Hij had mij geen trut mogen noemen. Kom, we zijn weg hier.’

De relatie duurde daarna nog een week of drie, maar meer als een verwaterde versie van hoe het ooit begon. De dynamiek tussen hen twee omgewisseld, met hem nu overdreven attent, in een opzichtige poging om haar woede te vermijden. Een rol van de onderdanige schoothond die ze verfoeide en het omgekeerde effect genereerde, dus werd zij toch lastig op hem en hij als tegenreactie nog liever. Wat ook totaal niet paste met zijn glimmende outfits en blinkende sneakers. En absoluut niet de reden was waarom ze ooit hem verkoos. Maar nog groter was haar wrok voor haar eigen kracht, hoe deze haar eerste echte verliefdheid had verknald. Ze zwoer toen nooit meer zoiets te laten gebeuren.

Daarom trok Esther zich terug, weg van hem, weg van de rest, zonder het ooit uit te maken. Ze spijbelde op haar eentje en ging tijdens de schooluren terug naar huis, zonder dat haar moeder er iets van zei of zelfs opmerkte. Daar, weggestoken van de wereld, trachtte ze zichzelf bekwaam te maken in de beteugelen van wat in haar zat.

Op haar donkerste dagen dacht ze zelfs de oorsprong van haar kracht getraceerd te hebben en met een mes stak ze in haar eigen buik, toen ze daar iets meende te voelen. Maar de pijn van de eerste steek deed haar al inéén krimpen en ze staakte alle pogingen om het er zogezegd uit te snijden. Haar kracht, hoe indrukwekkend ook, beschouwde ze dan maar als een nooit te genezen tekortkoming.

Ze slaagde wel om zich in te tomen, ook tijdens de dagen wanneer ze in de klas opdaagde. Maar uit zelfbescherming meed Esther de ontmoetingen in het park vooraf. Tot groeiende ongenoegen van haar lief die geen vrede nam met zijn onduidelijke status en haar via via instrueerde om de ochtend daarop aanwezig te zijn. Haar afstand tot hem had hij geïnterpreteerd als een bewijs van ontrouw, of nog erger als een akte van zijn saaiheid. Ook werd zijn lieftallig gedrag door zijn getrouwen gedefinieerd als zwakte, zeker wanneer zijn relaas over de gewelddadige kant van Esther op ongeloof stootte bij zijn maten. Tot hij zijn eigen verhaal in twijfel trok en het toeschreef aan zijn gestresseerde toestand toen. Dus meende hij dat het tijd was om zijn rechtmatige supprematie over haar terug te claimen, al was het maar om zijn eigen reputatie te redden en alle meisjes na Esther niet op de foute ideeën te brengen. Want in het park bleef niks lang geheim, hoe diep men zich ook verschool tussen de struiken en achter het standbeeld.

Hij stond haar op te wachten, met een publiek van gelijkgestemden rond hem. Esther zag aan zijn vuurrood hoofd dat hij zich heeft laten opjutten en meteen stak hij van wal met de onwrikbare puberale overtuiging van onrechtvaardig behandeld te zijn. Ze wist dat ze best gewoon sorry zou zeggen en weer vertrekken. Wat ze ook wou meedelen, maar elk verwijt uit zijn mond werd ondersteund door hoongelach van omstanders en dreef hem tot nog meer kleinerende opmerkingen.

‘Ik voelde wel iets toen ik voor jou de eerste keer zag en ik dacht dat het interesse was, Esther. Maar nu weet ik beter, nu weet ik dat het medelijden was.’

Deze uitspraak deed de spreekwoordelijke kamer ontploffen. Maar hoe luid en uitbundig alle toehoorders ook reageerden, het was niks vergeleken met wat er broeide binnen in haar. Iets wat ze nauwelijks beheersen kon en slechts één foute aanraking verwijderd was van ontketend te worden. Daarom sprak ze weer geen woord en nam ze een stap achteruit, terug naar haar fiets. Om te verdwijnen en spijbelen om erger te voorkomen. Iets wat hij op zijn beurt opvatte als een belediging veel vreselijker dan wat hij had verklaard.

‘Hier blijven, want ik heb nog geen kus gekregen.’

En mocht hij het enkel gezegd hebben, dan was er niks gebeurd. Dan had ze gewoon flauw geglimlacht en hem zelfs deze overwinning toegestaan. Maar het feit dat hij zijn eis om een zoen onderstreepte door haar bij de pols vast te pakken, zorgde ervoor dat hij op de grond terechtkwam na een kopstoot van haar, gevolgd door een schop in het kruis. De rest van de jongens sloegen op de vlucht achterna gezeten door een razende Esther met haar gezicht vol bloed die haar fiets alsof deze niks woog door de lucht deed vliegen en liet landen op een groepje van drie. Geraakt door het projectiel donderden ze van hun eigen fiets en strompelden ze gehavend en gekrenkt weg. Haar enig geluk was jong te zijn in een tijdperk zonder een fototoestel in elke telefoon en bleven de getuigenissen over haar uitbarsting beperkt tot het park en haar directe omgeving.

Daarna werd het iets ingewikkelder voor Esther om vrienden te maken op school en spendeerde ze het meeste van haar tijd alleen door. Tot een jaar later een nieuw leven zich aandiende, toen haar moeder meldde dat de huur van hun huis onbetaalbaar werd en ze zouden intrekken bij oma en opa. In een stad waar hopelijk niemand haar kende.

‘Zeg, hoe lang zit hij al voor dat scherm?’

Simon sleurt haar uit haar mijmeringen en kijkt haar aan alsof hij echt een antwoord verwacht. Ook al heeft hij een tablet met een zeer precieze klok in zijn handen. Meer uit automatisme dan na het berekenen van de resterende minuten roept ze dat Felix nog één aflevering kijken mag. ‘En dan moeten we naar school vertrekken.’

‘Oké,’ zegt hij en zal gegarandeerd straks toch nog een aflevering eisen. Met de loze belofte zijn kleren tijdens het kijken aan te trekken. Het wordt krap straks, beseft ze, wanneer ze het uur op haar eigen telefoon checkt. Maar nu iets anders afdwingen van Felix zou nog meer tijd opeisen dan een aflevering en daarom verdiept ze zich dan maar weer in de krant.

Esther stoot op een artikel over een vreemd incident in een stadje waar ze nog nooit heeft van gehoord. Na klachten van geluidsoverlast is de deur van een hotelkamer opengebroken en heeft men op de grond een restant van een man aangetroffen, zijn ledematen van elkaar gerukt met een onmetelijke brutaliteit als door een mythisch wild beest. In de kamer zat ook een vrouw van zestig met een badjas aan, haar haren nog nat van de douche. Op haar geen schrammetje te vinden, geen spatje op haar huid, los van haar blote voeten tikkend in de plas bloed. Geen verklaring voor dit gruwelijk tafereel en de vrouw hult zich in zwijgen. En Esther weet maar al te goed waarom, want wie zou haar geloven.

Dit is niet de eerste keer dat ze aanwijzingen vindt van vrouwen zoals haar, maar nooit denkt ze eraan om deze op te sporen, uit angst zelf gevonden te worden. Maar dit verslag grijpt haar bij de keel en ze rilt bij de gedachte dat zoiets haar ook te wachten staat. Dat de kracht die ze in haar koestert en op gezette tijden uitlaat als een ongedurige hond zal toenemen naarmate de jaren verstrijken en op een dag niet meer te beheeren is. Of misbruikt wordt.

Zoals haar is overkomen op haar zeventiende. Een leeftijd wanneer de wereld een samenzwering leek om dat laatste jaar voor volwassenheid zo moeilijk en vermoeiend mogelijk te maken. Of zo ervaarde Esther het toch, haar dagen tot haar achttiende verjaardag doorbrengend in dat krappe huis van haar grootmoeder. Waar ze net als haar moeder ontzettend haar best deed om de andere huisgenoten te ontwijken, elk met hun eigen methode. Zo verschool Esther zich in haar kamer en koos haar moeder ervoor om elke avond buiten te zijn, op zoek naar de man die hen in de steek had gelaten en zich dan maar tevreden stelde met elke vent die er een beetje op leek.

Voorheen deelden ze deze beperkte oppervlakte nog met een grootvader, maar die verdween toen Esther bijna zestien was. Toen haar moeder de neiging had om de mannen na een nacht of vier te benoemden tot de liefde van haar liefde en hen kwam voorstellen aan Esther. Ze kwam altijd binnen zonder te kloppen en kondigde hem aan als: ‘Kijk, dat is hem, je nieuwe vader.’

Maar één man zag zijn pas verworven status als voogd als een vrijgeleide om de beide vrouwen als een dubbelpakket te beschouwen. Ook hij kwam dan maar binnen zonder te kloppen, zoals vaders dat mogen, verklaarde hij. Zoals ze ook mogen voelen hoe goed hun jonge dochters groeien, hijgde hij. Het eindigde pas met zijn oor afgescheurd van zijn hoofd en rustend op de handpalm van Esther als een trots gevonden schelp op het strand. Terwijl de man hysterisch van de pijn op haar éénpersoonsbedje kronkelde, stormde de grootvader de kamer binnen, in zijn kielzog haar moeder en grootmoeder. De beide vrouwen wierpen zich op de verwonde man, de moeder om hem te beschermen tegen de grootmoeder die hem nog meer pijn berokkenen wou. Maar de grootvader verroerde zich niet, instant bewust van wat zijn kleindochter hem aandoen kon bij elke verkeerde beweging. En op dat eigenste moment voelde hij wat hij het meest bij zichzelf en een ander verachte, hij voelde een onmannelijke verlammende angst. Een emotie die zou opspelen elke keer als Esther zich in dezelfde kamer als hem vertoefde en ook de reden waarom hij na decennia van huwelijk zijn vrouw verliet zonder verklaring.

Vanaf dat moment leefden de drie generaties van vrouwen als enigen samen, in totale onmin met elkaar. Waarna Esther zich begon af te vragen of haar vader vanuit dezelfde angst had gehandeld toen hij besliste te vertrekken, of ze misschien ooit in de tijd voor herinneringen zich vergroeiden met haar hersenstam een even vreselijke daad van agressie had vertoond dat hem heeft weggejaagd.

En zo werd ze zeventien, overtuigd van haar identiteit als angstaanjagende freak in de ogen van mannen en jongens. Esther hoorde heus wel de gefluisterde geruchten over een gevecht in een park die toch door een netwerk van roddelaars en overdrijvers haar jaren later waren gevolgd. Wat ook niet echt hielp om vriendinnen te vinden, uit vrees dat Esther hen besmetten zou en ook transformeren tot sociale paria’s.

Behalve Jelena, een oudere zus van een klasgenote. Die haar net omwille van de mythe aanspreken wou.

‘Ben jij Esther,’ vroeg ze wanneer ze haar zus met de auto van de ouders kwam ophalen.

‘Niet mee praten, ze jaagt mannen weg,’ waarschuwde de zus Jelena.

‘Is dat waar? Moet je mij eens leren.’

Esther ontkende uiteraard alles, maar kon een glimlach niet verbergen, wat Jelena goed genoeg decoderen kon. De zus sleurde haar mee naar de auto en Jelena beloofde snel nog eens te verschijnen aan de schoolpoort.

Iets wat ze dagen later inloste en terug toenadering zocht na school. De zus liep Jelena straal voorbij en wou niks te maken hebben met deze ontluikende vriendschap.

‘Hier ben ik weer,’ zei Jelena.

‘Dat zie ik. Maar ik moet ergens naartoe.’

‘Dat is niet waar.’

‘Nee, dat is niet waar. Valt het zo hard op?’

‘Je bent niet de enige die iets speciaals kan. Zo ben ik heel goed in bullshit ruiken, zoals jouw uitvlucht nu.’

‘En wat denk je dat ik speciaal kan,’ vroeg Esther, oprecht bevreesd voor haar antwoord.

‘Luister, wat het ook is, jouw geheim is veilig bij mij. Op één voorwaarde. Dat je vanavond meekomt, naar een optreden van mij.’

‘Speel je in een band,’ vroeg Esther.

‘Laat dat mijn geheim zijn, voor een paar uur. Dan staan we gelijk.’

En de eerste impuls van Esther was opnieuw te liegen dat ze niet kon, maar deze keer sprak ze deze uitvlucht niet uit en beloofde te komen.

Het adres dat Jelena haar gaf, lokte haar om middernacht naar een plek ongeschikt naar welk optreden dan ook. Zelfs een poppenkast met één marionet die een monoloog declameerde, zou niet eens passen in die beschimmelde hotelkamer waar het krakend bed als podium diende met een publiek van dertig mensen. Daar was Esther getuige van een literaire avond vele levels onder de mainstream en zag ze Jelena voor het eerst als de postpunkpoetryperformer met de artiestennaam de Anti-Babe. Maar de grootste revelatie die nacht was de totale schaamteloosheid waarmee de vrouwen balancerend op dat bed hun woede tentoon spreiden. In plaats van op te kroppen. Al vanaf de openingsact, verzorgd door een frêle jonge vrouw die zichzelf introduceerde als een Krijsende Komiek onder het pseudonym Maak Mij Blij Godverdomme Klootzak.

‘Maak voor mijn vrienden, Godverdomme Klootzak voor mijn vijanden.’

Daarna volgde een uitputtende en razende comedyset van zeven minuten over haar specifieke smaak in mannen. Niet inzake fysieke bijzonderheden, maar qua uitstraling. In haar eigen bewoordingen verkoos zij de meest verlegen wezens. Want Maak Mij Blij Godverdomme Klootzak hield zo van hun gierende angst om haar aangeboden bloot lijf aan te raken met hun handen.

‘Hoe ze beginnen te trillen als je hen aanraakt, hoe ze bijna overgeven van angst om de kleinste fout te begaan, hoe ze sorry zeggen bij elke stoot en hoe ze daarna hun mama willen bellen. Mama, ze zei dat het wel mocht, echt waar, deze keer wou ze wel, mama. Maar na één keer neuken met mij worden ze zo zelfzeker dat het mij niet meer interesseert. Dan denken ze te snel dat een erectie hebben talent betekent. Dan moet ik hun ego samen hun penis weer doen verschrompelen tot iets zieligs met haar erop. Want er is één ding lekkerder dan een verlegen man en dat is een vernederde man. Vooral zij die al vanaf hun geboorte te horen krijgen hoe stoer ze zijn in hun versleten joggingbroeken van hun broers en jaren later rondlopen met een namaak Louis Vutton tasje met nauwelijks plaats voor hun telefoon en hun insulinespuit. Niet voor een portefeuille, want geld hebben ze toch niet, die mannen. Altijd een goeie opening voordat ik hen neuk, hun gebrek aan biljetten en voor ze doorhebben wat ik hen verwijt, toeslaan met een tirade over hun afwezige vader. Meestal willen ze mij slaan, want ze slaan zo graag. Het enige wat ze geleerd hebben van hun pa. Maar ik heb een taser, dus ze moeten luisteren en zwijgen, voor de eerste keer in hun leven. Heerlijk hoe ze daar dan liggen in mijn bed, zielig snikkend en zo bang dat ik doorvertellen zal. En terwijl ik hun gekrompen piemeltje in mijn hand leg, neem ik hun telefoon. Het nummer van hun moeder altijd bovenaan bij hun favorieten, want wie anders zou hen bellen om te weten hoe het gaat. Van zodra ik haar stem op de luidspreker hoor, begin ik zo hard te kreunen en hun naam te noemen en te roepen hoe hij mijn harige kut likt om al mijn sappen op te zuigen omdat het even goed proeft als het zaad dat naar beneden drupt afkomstig van de grote broer bovenaan het stapelbedje. Ook al horen ze hun moeder bijna snikken van teleurstelling, stijf worden ze allemaal.’

En zo nog minuten lang met de scherpste stem dat haar mond produceren kon. Maak Mij Blij Godverdomme Klootzak switchte pas terug naar haar gewone zelfs zachtaardige stem om de Anti-Babe aan te kondigen. Jelena besteeg het wankele podium en stak meteen van wal met een tekst getiteld “Wraakfantasieën van een verkrachte vrouw” waarin ze in extreme details opsomde wat ze allemaal zou doen met dat “monster” in haar bed, met welke werktuigen en waar precies op zijn lijf, hoeveel bloed uit welke ader zou spuiten, hoe ze elke afgesneden deel zou drogen in haar dagboek en welke doodle ze erbij zou tekenen, droog voorgelezen alsof het instructies waren uit het handdoek “folteren en martelen voor het ganse gezin. En tegelijkertijd kleedde ze zich ook nog eens uit. `

Na een minuut of drie was de Anti-Babe enkel nog gehuld in een beha, nog meer dan haar durf verbaasde Esther zich over haar evenwichtsvermogen met één been op die golvende matras. En net wanneer ze haar hand naar haar rug leidde, om zich te ontdoen van haar laatste kledingsstuk en dan in vol ornaat haar lijf te presenteren, gebeurdde het onvermijdelijke. Een toehoorder duwde zich een weg naar het bed en smeet zich op Jelena. En voor heel even dacht Esther samen met de rest van het publiek dat het erbij hoorde, als een gepaste apotheose van haar tekst.

Maar wanneer de man haar bij de keel greep en de blik in haar ogen niet gespeeld leek, schoot Esther in actie, ook al geraakte haar kracht pas opgestart als de agressie tegen haar gericht was. Maar ze ging er vanuit dat de belager genoeg geile woede op overschot had. Met nog steeds met zijn ene hand rond haar hals kneedde en kneep zijn andere hand gulzig alles wat hij tegenkwam, alsof hij ondanks zijn zinsverbijstering wel doorhad dat hij zich maar een seconde van genot kon veroorloven. Want daar was Esther al, als nog een mensenlaag er boven op. De andere aanwezigen nog steeds in de veronderstelling dat de show zo gepland was en de worsteling aan het bewonderen als ramptoeristen. Het enige wat Esther op dat moment bedenken kon, was het vastpakken van zijn vettig haar dat bijna uit haar handen gleed en er zo hard mogelijk aan trekken. Eerder geïrriteerd dan bezeerd loste de man een kreet en trachtte Esther weg te waaien als een gemene wesp. Iets wat nog altijd niet haar kracht opwekken zou, dus begon ze te roepen van ‘afblijven, zeg ik jou’, als tegen een kind met zijn hand in de koekendoos. Opnieuw haalt de man ongecontroleerd uit met zijn vlakke hand en deze keer raakte Esther tegen haar wang. Meer een tik dan een slag, maar genoeg om loos te gaan. Ze klemde haar arm onder zijn hoofd, haar elleboog als een dubbele kin en trok hem van Jelena. Haar lijf bezaaid met vuurrode handafdrukken, maar haar gezicht opgelicht door een triomfantelijke blik.

Met de man in een houdgreep sleurde Esther hem van het bed en zo over de vloer waar het publiek netjes opzij ging. Hij verweerde zich mateloos, maar hoewel hij haar overtrof in gewicht en lengte en hoe wild hij ook tegenspartelde, ze gaf geen duimbreed toe. Tot bij de minieme badkamer sleepte ze hem, de deur weliswaar niet open te krijgen met één hand wegens een ronde klink alsof ze vreesden voor binnenvallende beren. De man voelde hoe Esther hem even loste en in plaats van fysiek offensief dacht hij het allemaal te kunnen uitleggen. Dat Jelena het had uitgelokt, dat ze had moeten weten hoe gezonde mannen zouden reageren, met nadruk op gezond alsof een dokter hem ooit had wijsgemaakt dat een erectie negeren TBC zou opleveren, dat het als compliment bedoeld was. Wat zelfs flauw applaus veroorzaakte bij het publiek. Ironisch bedoeld, hoopte ze.

Maar de man interpreteerde het als een goedkeuring van zijn daden en stak als een overwinnaar zijn armen in de lucht. Wat Esther vrij spel gaf om bij hem een vuistslag in de ribben te planten en gewoon tegen de deur van de badkamer, want nog altijd niet opengekregen.

Nu wel, zijn gekatapulteerd lijf brak de deur uit haar hengsels en viel met een doffe bonk neer als een harde mat. Als hij slim was, bleef hij liggen. Maar hij had al bewezen om even intelligente beslissingen te nemen als een profvoetballer na zijn eerste loonbriefje en stelde zich terug recht. Om nu Esther te beledigen en haar te beschuldigen van jaloezie. Maar dat hij grootmoedig genoeg was om ook haar daarna te bevredigen. Haar antwoord was een vuist, deze keer in de maag. De pijn verspreidde zich in zijn lijf met een lichtsnelheid en het voelde alsof elke cel in hem tot ontploffing werd gebracht. Één slag was voldoende om zijn mondholte te vullen met opgewekte kots, maar hij bezat geen energie om het eruit te braken. En Esther had nog geen zin om al te stoppen met hem te straffen. Een tweede slag raakte hem nu net onder de borstkas, als een rudimentaire hartmassage om een ademstoot uit zijn systeem te forceren en het braaksel zijn luchtwegen niet meer blokkeert. Ze deed het om hem te sparen, maar zo zag hij het niet. Want hij gebruikte zijn net bevrijdde mond om haar meteen terug te beschimpen. ‘Weet je wel wie ik ben,’ riep hij dan maar, een uitspraak die eigenlijk haar eigen vraag beantwoordde, bedacht Esther en maande hem tot stilte met een voortreffelijke dreun tegen het hoofd. Een iets enthousiaste applaus brak los bij de toeschouwers die zich bijeengeperst hadden rondom de badkamerdeur. Jelena had zich in tussentijd terug aangekleed en bedankte haar met een lange kus op de mond. Wat een nog heftigere applaus deed ontkiemen. En vanaf dat moment werd Esther de beschermster van de Anti-Babe.

Zonder expliciet gevraagd te zijn, vergezelde ze sindsdien Jelena bij elk optreden en moest Esther nog vaak genoeg ingrijpen. Wat ze steeds plichtsgetrouw en even onzagwekkend deed, met als gevolg dat een avond zonder een fysiek vergrijp bijna teleurstellend werd voor Jelena.

‘Was ik te mak,’ vroeg ze dan.

‘Hoezo? Geniet je ervan als mannen dat doen?’

‘Nee, ik geniet ervan jou te zien terugvechten.’

‘Echt,’ vroeg Esther en voelde iets dat verdomd dicht bij trots kwam.

De twee werelden die ze bewoonde, overdag school en studies, ’s nachts kraakpanden en kroegen, dreven steeds meer uit elkaar. En op den duur spendeerde ze zoveel tijd samen door met Jelena dat nieuwe roddels zich manifesteerden over hun innige vriendschap. Opnieuw leek het Jelena niks te schelen. Integendeel, ze glunderde bij elke venijnige opmerking en spoorde Esther aan om hetzelfde te doen.

‘Als je nu al weet dat je niet als hen wilt zijn, maar net als hen blijven denken?’

‘Je snapt het niet,’ antwoordde Esther altijd.

Want voor Jelena was de puberteit een overwonnen fase, voor Esther een dagdagelijks mijnenveld. Toch brak ze niet met Jelena en koesterde ze elk moment samen, zeker die ritten na een optreden wanneer haar wonden verzorgd worden op de parkings van snelwegtankstations. Wanneer ze beiden op de achterbank zaten, flauw belicht door een zaklamp geklemd tussen zetel en hoofdsteun, en Esther haar T-shirt uittrekken moest. Ze begon uit te kijken naar deze korte ogenblikken van rust. Wanneer ze ontegensprekelijk teder werd aangeraakt met de zoete adam van Jelena op haar huid.

Met het beetje geld dat ze verdiende als bodyguard kocht ze voor de eerste keer een beha in een lingeriewinkel in plaats van iets mee te grissen uit een sportzaak. Een aankoop dat Jelena meteen opmerkte toen ze hielp met uitkleden. Maar ze zei niks. Ze boog zich even toegewijd over de kwestsuren uit dankbaarheid voor de wildheid waarmee Esther daarvoor een zatlap had gedecimeerd. Maar alles verliep iets trager, iets langer dan gewoon. Terwijl Jelena het ontsmettingsmiddel aanbracht op de bijtwonde in haar schouder legde ze haar andere hand op de ontblote buik. Een handeling dat nog als toevallig gezien kon worden, maar elke onschuld verloor wanneer deze hand haar vingers gebruikte om o zo zacht te strelen. Ze liet het gebeuren, siste enkel even bij het gevoel van het koude ontsmettingsmiddel. De hand van Jelena sloop omhoog, een vinger vormde een cirkel rond de navel als een pirouette door een kunstschaatser en bleef stijgen, tot bij de kanten rand van de gloednieuwe beha. Nu had geen van beide nog aandacht voor de wonde en bekeken ze samen hoe deze vinger het aandurfde om de nog bedekte tepel te beroeren, alsof het allemaal buiten hun wil gebeurde. Hoewel Esther haar eigen borsten zeker nog niet zag als pronkstukken van een naar eigen zeggen middelmatig lijf, ze voelde zich verheugd dat ze eindelijk genoeg gegroeid waren om een decolleté te vormen, zeker deze beha die ze zorgvuldig had uitgekozen. Nadat het liefkozen van elke tepel tot deze bijna door het dunne stof heen priemden, werd de ene vinger hiervoor verantwoordelijk vergezeld door de rest van de hand en permitteerde Jelena zich om heel de borst te ontbloten. Eerst wou ze enkel kijken, zei ze, daarna vastnemen. Even zachtaardig als altijd, geen spoor van de vuilgebekte podiumbeest. Ook wanneer ze met haar tong de aangeboden tepel likte en dan de halfopen mond van Esther door een gelukzalige zucht opeiste met zoen dat pas onderbroken werd door de felle lampen van een vrachtwagen die zich naast hen installeerde voor de nacht.

‘Niet hier, niet nu,’ zei Jelena.

Pas twee weken later daagde ze weer op, wanneer Esther overtuigd was geraakt dat ze het verknald had en ze best gewoon het schooljaar afmaakte zonder al teveel deining. Maar daar stond ze dan, na schooltijd, leunend tegen de auto van haar ouders en een uitdagende blik normaal voorbehouden aan frontmannen van punkbands. Even dacht Esther om nog eens een uitvlucht te verzinnen en door te lopen, maar ze zag al van ver dat Jelena geen excuus, echt of vals, aanvaarden zou en stapte in de auto. Ze hoefde niet eens te kijken om te weten dat klasgenoten elkaar stonden porren en haar giehelend aanwezen.

Jelena stoof weg en zei enkel dat er een optreden gepland was, zonder te polsen of Esther er zin in had. Maar zo was blijkbaar hun relatie verworden, van bondgenote naar waakhond. En zo veranderde deze trip van een avontuur naar een goedaardige ontvoering.

Na een korte pitstop langs de snelweg, zonder enige liefkozingen en waar ze bijna al hun geld uitgaven aan alcohol en chips koos ze voor een afrit richting een onbeduidend stadje grenzend aan een imposant bos. Zonder behulp van GPS of landkaarten leek Jelena perfect haar weg te kennen en steeds dieper verdwenen ze via modderige baantjes dieper in het bos. Om pas te stoppen aan de ingang van een vergaan vakantiedorp. Wat op basis van vorige en vreemdere speelplekken nog steeds kon wijzen op een optreden. Pas wanneer Esther vroeg of ze aan het juiste adres waren en Jelena antwoordde met ‘Ik vind van wel’, begon ze te twijfelen aan de ware bedoeling van deze bestemming.

Wegens een gesloten slagboom hadden ze geen andere keuze dan de auto achter te laten bij de ingang en hun zakken met inkopen mee te nemen. Wanneer Esther ook een zak voor zich nam, werd ze beloond met meer uitleg over deze locatie.

‘Hier zaten we vroeger elke zomer met het gezin. Tot heel het park moest sluiten, want illegaal gebouwd in natuurgebied of zoiets. Net één jaar nadat mijn ouders zich hebben laten overtuigen om het huisje dat ze elk jaar te kopen, als slimme investering, voor een goed pensioen te hebben op het einde van de rit. Ze zijn nog aan het af te betalen, plus nog eens gerechtskosten. Sindsdien wordt er met geen woord gesproken over deze plek, totale taboe bij ons thuis. Het ging zelfs zo ver dat ik begon te geloven dat ik al die fijne herinneringen uit mijn kindertijd verzonnen had. Mijn zus was nog jong toen, maar ik niet, ik weet nog hoe ik hier rondhuppelde in een jurkje als een mollige Heidi in de bergen die na al twee meter buiten adem geraakte. Maar goeie tijden toen en die zijn mij gewoon afgepakt, omdat zij te stom waren om nog een lening af te sluiten. Ook thuis zal je geen foto’s vinden van deze plek, van mij in die zandbak ginder. Die daar, maar ik zou er nu niet in spelen, ik heb al eens een everzwijn betrapt die erin aan het schijten was. Ik verdenk mijn ouders er zelfs van dat ze mijn dagboek van toen hebben gevonden en de pagina’s over deze plek eruit gescheurd hebben. Maar niet zeker. Dan zijn ze verbaasd dat ik zo vreemd ben uitgedraaid.’

‘Zitten hier everzwijnen,’ vroeg Esther.

‘Ja, ofwel heel harige drugsverslaafden.’

‘Oké, maar nu weet ik nog altijd niet wat we hier komen doen.’

‘Het is heel simpel, mijn ouders hebben ervoor betaald, maar willen het niet. Ik wel, dus ik aanvaard het als hun… wat het omgekeerd ook is van post mortem erfenis. Dus is het van ons.’

Hoewel het vakantiedorp niet meer dan een vijftigtal woningen telde, slaagde het terrein erin om zich te gedragen als een volkomen doolhof. Maar opnieuw manoeuvreerde Jelena zich even gezwind langs de verroeste speeltuigen en doorheen met brandnetels overgroeide wandelwegen. Om haar gezelschap te leiden naar een doodlopende straat waar de paar vervallen en verweerde huizen nauwelijks van elkaar te onderscheiden waren. Een sleutel bezat ze niet en duwde een reeds geforceerde deur open om dan met een galante buiging Esther te laten voorgaan. Binnen werd meteen duidelijk dat Jelena hier al een tijdje resideerde, dat zag Esther aan de leeg geknepen blikjes op de zetel, aan de bekladde muren met zinnen die ze herkende uit haar teksten, aan de uitgeschraapte pot chocopasta op tafel naast wat beschimmelde boterhammen en in het midden van alles een majestueuze matras bedekt met een niet al te frisse slaapzak.

‘Welkom thuis, Esther,’ zei ze en om het idyllisch beeld compleet te maken, kuste ze haar vol op de mond. Iets wat Esther eerst deed terugdeinzen en fluisteren van ‘wacht, alstublieft’. Wat Jelena wel deed en haar weer losliet, om zich dan vlak voor haar uit te kleden. Ook al heeft Esther dat lijf al zo vaak in vol ornaat gezien, soms nog met de sporen van een brutale aanvaller de dag ervoor, toch nam ze elk detail in haar op. Hoe de spieren in haar ranke been zich opspanden bij het optillen van haar voet, hoe ze intuïtief haar buikje wat introk bij het openen van het laatste knoopje op haar hemdje, hoe die ene kubistisch tatoeage op haar bovenarm reflecteerde in de avondzon, hoe ze eerst haar hand liet verdwijnen in haar slipje om haar eigen hitte voelen voor ze volledig bloot wachtte op een teken van Esther. Zij bleef staan, de plastic zak met bier en chips nog in haar hand, om dan onhandig en zonder enige gratie het voorbeeld van Jelena te volgen. Zo stonden ze daar, recht tegenover elkaar, naakt maar toch nog verlegen. En het was Esther die als eerste iets ondernam, die een stap vooruit nam en haar hand plaatste op de bil van haar vriendin. Wat Jelena interpreteerde als een verzoek zich om te draaien zodat Esther die twee statige tieten kon vastgrijpen en heel dat lijf tegen zich aan te drukken. Ze voelde hoe haar aanrakingen sidderingen veroorzaakten en schakelde een versnelling hoger. Ze nam de tepels tussen haar vingers en hoorde hoe dit met gekreun werd beantwoord. Ze zoog zich vast in de hals en met haar hand eigende ze zich dat kutje toe. Haar stoutste verwachtingen werden overtroffen wanneer ze tussen die dijen natgloeiende lippen aantrof die haar vingers naar binnen lokte. Omdat hun benen bijna bezweken, verplaatste heel het liefdestafereel zich naar de matras waar ze elkaar bereden, tot Jelena zich uitgeput gewonnen gaf. En Esther loog ook niet toen haar werd gevraagd of ze ervan genoten had en zei dat het heerlijk was. Maar toch voelde dit samen zijn meer als een onomkeerbare consequentie van haar kracht aangezien elke relatie met een man gedoemd was om ooit ten onder te gaan na één rustige ruzie.

Voor Jelena echter was het totale overgave, een ware liefdesrelatie met alles erop en eraan. Los van die ene eerste keer was het altijd zij die initieerde en aandrong. Nooit weigerde Esther, zij laafde zich aan de veelvuldige complimenten over haar schoonheid. Aan de bekentenis van Jelena dat ze zich nog nooit zo geïnspireerd heeft gevoeld en dat sinds hun aankomst hier tientallen teksten heeft geschreven. Du moest wel liefde zijn, toch?

De dagen erna verloor Jelena zich steeds meer in haar fantasie van hen twee als enige overlevenden na een catastrofale ramp, ietwat geholpen door de omgeving. Met dit huis als de enige veilige plek in een vijandige wereld. Esther moest ook binnen blijven wanneer zij op strooptocht ging en andere woning doorzocht naar voedsel en voornamelijk wijn. En bij het eten vertelde ze, over wat ze nog schrijven wou, over wat haar is aangedaan, over haar zuster werd gezien als een godenkind door haar ouders.

‘Al sinds haar kindertijd. Vooral mijn moeder was niet in staat om haar vreselijk karakter te beschouwen als een falen van hun opvoeding. Dus het moest wel een aandoening zijn. Je kent het soort ouder wel. Hun kind kan niet mee op school, dus ze moet wel hoogbegaafd zijn. Hun kind slaat andere kinderen, dus ze moet wel hypersensitief zijn. Hun kind luistert niet als ze iets zeggen, dus ze moet wel autistisch zijn. Mijn zus werd meegesleurd naar zoveel psychologen tot één hen bevestigde en zij konden roepen van “zie je wel”. En je kent het resultaat, je zit ermee in de klas.’

Hoewel Esther haar zus helemaal beschouwde als een vreselijk wezen, knikte ze wel, meer om haar te plezieren, om niks te verknallen tussen hen. Om een keer voor de verandering iemand anders blij te maken.

Maar op die kleine oppervlakte van de matras zag Jelena wel hoe ongemakkelijk ze werd tijdens het vrijen. En in plaats van gas terug te nemen, werd ze driester in wat ooit liefkozingen waren. Dan zou ze die benen van Esther omklemmen en niet stoppen met likken tot haar tong het opgaf. Ze zou haar polsen vastbinden en boven haar hoofd houden terwijl ze beet in het vlees van Esther en zuigvlekken achterliet rond de tepels. Het werd een relatie met een uitgesproken maar nooit afgesproken rolverdeling tussen de dominante en de ondergeschikte. Waarbij Esther dezelfde scheldwoorden zou aanhoren die mannen haar toeriepen, maar zonder dat haar kracht in werking trad.

Toch bleef ze, bang om ook hier een spoor van schade achter te laten. Nog maar zeventien was ze en toch al bevreesd om alleen te eindigen. Een sentiment dat Jelena ook uitbuitte en haar wijsmaakte dat niemand anders haar ooit liefhebben zou. Behalve zij en veranderde daarom haar artiestennaam van de Anti-Babe naar Niemand Anders. Maar deze verstoorde versie van verliefdheid kon niet blijven duren.

Die dag was Jelena terug op speurtocht vertrokken en bleef Esther achter in het huis. Om nog eens een poging tot lezen te ondernemen. De meeste boeken in dit pand behoorden tot de categorie van flutromans over de hoofse liefde, maar slaagden er wel om Esther geiler te maken dan elke verwoede poging van Jelena. Wat haar nog pessimistischer stemde over de slaagkansen van hun toekomst samen. Ze zat midden in een scène met een bronstige koopman en welwillende prinses tijdens een drieste orkaan en graaide reeds vol goesting in haar slipje toen er werd aangeklopt. Zonder een antwoord af te wachten, zwaaide de deur open en kon Esther zich nog net helemaal bedekken.

Ze waren met zijn drieën, de ouders van Jelena vergezeld door een agente. Het was de moeder die haar vroeg, te beleefd bijna, of ze wist waar haar dochter zat.

‘Ze kan elk moment terug zijn, mevrouw,’ antwoordde Esther, even formeel.

‘Oké, dan wachten we buiten.’

De vader fluisterde nog iets in het oor van de politieagente en ook zij verliet de woning. Esther bleef nog even verweesd liggen, voor ze zich fatsoeneerde en water op haar gezicht gooide. Wanneer ze ook naar buiten stapte, was Jelena reeds opgedaagd, terug van haar plundertocht met herbruikbare boodschappentas. Ze stond in het midden van de straat, in het uniform van de lokale fastfoodzaak omdat het haar onzichtbaar deed voelen, en leek niet zinnens dichterbij te komen.

‘Dag Jelena,’ probeerde de moeder. ‘Hier zit je dus.’

Geen reactie.

‘We hebben gewacht en niet meteen de politie gebeld. Ook al heb ik die auto nodig heb voor mijn werk, dat weet je. Maar we hebben jou een kans gegeven om terug te komen, maar we kunnen niet blijven toegeven,’ zei de vader op zijn beurt.

‘Jelena, alstublieft, kom terug naar huis. Misschien moeten we een nieuwe dokter zoeken, misschien hoeven al die pillen niet. Maar zo breng je jezelf in gevaar. Je brengt anderen in gevaar, zoals dat meisje hier,’ sprake de moeder, haar wangen doordrenkt met tranen.

Maar wanneer Jelena zelfs niet reageerde op deze smeekbede was het aan agente om haar toe te spreken.

‘Luister hier, ik ben niet geduldig zoals je moeder en vader hier, dus dit is ook geen verzoek, dit is een bevel. Je zet die tas op de grond en legt je handpalmen op je hoofd. Begrepen… ik herhaal begrepen.’

Nu pas kwam er een barst in haar onverzettelijke houding en leek Jelena te gehoorzamen door de tas te laten vallen. Om dan dreigend haar vinger te richten naar haar moeder. Eerst weerklonk er een ijselijke kreet, als een beest in haar doodsstrijd. Dan sprak ze onbewogen haar bevel uit, bestemd voor Esther.

‘Ik wil dat je begint met mijn vader. Ik wil dat je jouw tanden in zijn oog zet en kapot bijt tot alle sap eruit floept als bij een kerstomaat. Ik wil dat je zijn leeg oogkas dan vult met een afgerukte teelbal en aangezien je dan toch al beneden bezig bent, wil ik dat je zijn lul eerst hard maakt met je hoerenmond en dan het vel van die ouwe mannenpik stroopt met je tanden. En dan…’

‘Jelena, stop. Niet doen.’

‘Komaan, Esther, begin ermee. Val die vuile fascisten aan.’

Voor alle zekerheid draaide de agent zich om naar Esther, eens checken hoeveel ze te vrezen had van dit zeventienjarig meisje. Maar aangezien deze zelf met tranen in de ogen alles aanhoorde, richtte de vrouw haar aandacht weer op Jelena die ze behoedzaam benaderde.

‘Oké, ik kom jou langzaam tegemoet. Geen bruuske bewegingen maken of het loopt hier fout af. Begrepen, Jelena?’

Maar deze reageerde nog steeds niet op welke vraag ook en bleef maar Esther aanzetten tot groots geweld. Zelfs wanneer ze tegen de grond werd gedwongen en handboeien rond haar polsen kreeg.

‘Godverdomme, Esther, doe het voor mij. Maak ze kapot. Ze staan vlak naast jou.’

De vader vroeg haar te kalmeren, om erger te voorkomen, en verzocht de agente om haar niet te ruw te behandelen. Beide tevergeefs. Ondertussen kreeg Esther van de moeder een zakdoek aangeboden, nat van haar eigen tranen, en een poging tot een uitleg.

‘We hebben te laat ingegrepen. We hebben veel eerder hulp moeten zoeken voor haar, maar we wisten niet…’

‘Nee, niet doen. Ik wil het niet horen,’ onderbrak Esther, geen zin in welke verantwoording ook. Geen zin in een sorry met een maar erna. Zeker geen zin in begrip te tonen. Verdwijnen, dat was wat ze wou. En haar kracht voelen, om naar die politiewagen te spurten en Jelena eruit te sleuren en haar te straffen voor wat ze haar had aangedaan. Als een nieuwsgierige buur die even kwam piepen naar de commotie buiten, ging ze terug het huisje binnen. Niemand hield haar tegen en niemand kwam afscheid nemen.

Ze bleef nog een dag of twee, pakte haar spullen bijéén, plus een paar boeken voor onderweg en begon de lange wandeltocht terug naar huis. Als een straf die ze zichzelf had opgelegd voor haar naïviteit. Het kostte haar drie dagen om thuis te geraken, om dan de resterende maanden voor achttiende verjaardag te leven als een menswezentje in winterslaap. Om als volwassene te ontwaken en dan voorgoed te vertrekken.

‘Zeg, hoe lang duurt zo’n aflevering?’

Voor de tweede keer die ochtend wordt ze door Simon uit een dagdroom gerukt. En opnieuw is zijn vraag eigenlijk een verdoken verwijt. Maar zijn opmerking veroorzaakt geen rimpeling in haar systeem. Alsof de lijzige toon waarmee Simon elke zin in zijn mond doorspekt, elk effect op haar kracht tenietdoet. Als een toverformule.

Misschien koos ze daarom ooit voor hem, wegens zijn onvermogen om haar echt kwaad te krijgen. Maar ze kan zich ook niet herinneren dat hij haar ooit onbetamelijk aan het lachen heeft gebracht, met die luie stem van hem. Niet één keer in die tien jaar samen. Maar voor ze weer begint te mijmeren over hun ontmoeting, eist Felix alle aandacht op.

‘Mama, ik heb dorst.’

‘Kom, we moeten vertrekken.’

‘Maar je luistert niet, ik heb dohohohohorst.’

‘Je kunt onderweg iets drinken.’

‘Gaan we langs de winkel?’

‘Nee, ik pak wel een beker melk mee,’ antwoordt Esther.

‘Maar dan loop je heel de tijd rond met een lege beker,’ moeit Simon zich.

‘Ik wil geen mehehehehehelk.’

‘Ik vind dat niet erg om met een beker rond te lopen, de helft staat er zelf met koffie in kartonnen bekers.’

‘Ik wil appelsap.’

‘Doe je kleren aan, we moeten vertrekken.’

‘Maar de aflevering is nog niet gedaan.’

‘Kan mij niet schelen, we gaan te laat komen.’

‘Ik wil niet naar schohohohohohol.’

‘Neem anders zo’n diepvrieszakje mee,’ zegt Simon.

‘Wat? Waarom? Over wat heb je het?’

‘Dan kun je die vuile beker in je handtas steken, zonder dat die vlekken maakt.’

‘Mama. Ik vind mijn kleren niet,’ roept hun achtjarige zoon die het monotone stempatroon van zijn vader niet geërfd heeft en zeer goed in staat is boven het lawaai van de televisie te krijsen. Wat ervoor zorgt dat Esther het wel bij hem voelt, hoe zijn jennen en zijn gezeur meer kunnen losmaken dan irritatie. Hoe zijn consequent tegenspreken haar kracht losweekt en hoe de muren haar woede moeten incasseren. Wat de aankoop van die vreselijke schilderijen die de deuken maskeren, verklaart. Maar nog zoveel jaren te gaan, plus nog een puberteit die moet losbarsten en zo weinig ongeschonden muren in dit huis.

‘Felix zegt dat hij zijn kleren niet vindt,’ zegt Simon.

‘Als je hem hoort, kun jij toch ook gaan.’

‘Hij vraagt naar zijn moeder.’

‘Ja, omdat hij weet dat jij sowieso niet komt,’ reageert Esther.

‘Exact, omdat hij weet dat ik hem niet verwen.’

‘Niks doen telt niet als opvoeden.’

‘MAMAAAAAA.’

‘JE KLEREN LIGGEN VOOR JE NEUS.’

‘Waar?... O ja, ik zie ze.’

Omdat de televisie nog alle andere geluiden overspoelt met haar eigen luidruchtigheid registreren haar man en zoon niet de doffe dreun een verdieping hoger niet. En schrijft Esther op haar hand dat ze nog wat schilderijen aanschaffen moet. Of avondlessen om te leren plamuren, bedenkt ze.

Eindelijk zijn ze het huis uit, Felix met zijn kleren aan en Esther met een volle beker melk die hij toch niet wilt. En die zij bijna laat vallen wanneer ze haar rinkelende telefoon in haar handtas grijpen wil. Met haar hand nat van de gemorste melk kan ze net op tijd opnemen en weet meteen door die korte pauze na het noemen van haar naam dat het een potentiële cliënte betreft. Esther bezit geen website of deelt geen flyers uit, maar vrouwen vinden haar wel. Als ze wat rondvragen.

‘… Hallo… ik kreeg dit nummer van…’

‘Ik hoef niet te weten wie, zolang jij weet wat ik doe.’

‘… Oké… ik denk van wel… het is in verband met mijn vriend… hij…’

‘Wacht. Stop. Ik bespreek nooit opdrachten via de telefoon.’

‘Zijn we gewoon opdrachten voor jou,’ vraagt de vrouw.

‘Zolang ik geen betere omschrijving heb gevonden, benoem ik het graag zakelijk. Geloof mij, dat is beter voor ons allebei.’

‘Kunnen we afspreken? Ergens deze week?’

Esther stemt toe en maakt een afspraak voor morgenvoormiddag. Wanneer ze ophangt, valt het haar op hoe ongewoon stil Felix bleef. Alsof hij probeerde mee te luisteren.

‘Wie was dat, mama?’

‘Gewoon. Werk.’

‘Welk werk? Ben je ook advocaat, zoals papa?’

‘Nee, jongen, ik werk thuis. Ik ben een redactrice.’

‘Wat is dat?’

‘Ik verbeter boeken.’

‘Cool, strips en zo?’

‘Nee, handleidingen en schoolboeken. Niet zo cool. Sorry.’

‘Klinkt saai, mama.’

‘Ja. Dat is waar. Hier, jouw melk.’

‘Ik wil geen melk.’

Geen zin in gekibbel tot aan de schoolpoort om daar dan te staan als een moeder die te laat was opgestaan om te ontbijten, gooit ze de beker en al in een vuilnisbak onderweg. De school op een wandelafstand van tien minuten en dit was ook de voornaamste reden voor hun aankoop zoveel jaren geleden. Felix was nog niet geboren, maar slaagde er toch al in om zijn willetje door te drukken. En aangezien er een degelijke middelbare school even nabij gelegen is, lijkt het haar weinig waarschijnlijk dat ze gauw zullen verhuizen. Ook al is ze deze route al kotsbeu.

Soms twijfelt Esther of ze het Felix vertellen moet, misschien zou hij het nog beter begrijpen dan Simon en zou ze eindelijk niet als saai afgeschreven worden. Maar hoe dan? Hem zeggen dat mama mannen in elkaar slaat en dan ongeloofwaardig verklaren dat geweld op de speelplaats verkeerd is? Of hem meepakken op een opdracht, dat hij haar met zijn gezeur in de juiste zone krijgt, als viagra voor haar woede? Of alles een keer opnemen met een camera en gewoon tonen, aangezien hij toch alles liever via een scherm verneemt? Nog voor ze in de buurt van een antwoord komt, zijn ze al lang aangekomen op hun bestemming en wilt hij nu wel zijn melk.

‘Welke melk?’

Een uitvlucht zo doorzichtig, maar wel één die werkt aangezien Felix niet verder vraagt en zijn schouders ophaalt voor hij de speelplaats bestormt. Dus haar geheim onthullen aan Felix en hopen op wat begrip stelt ze best nog wat uit, denkt ze.

De volgende dag na het afleveren van Felix installeert Esther zich in een koffieplek enkele straten verder, de plaats van afspraak. Een halfuur te vroeg, tijd zat voor nog twee koffies en een krant. Ze leest een artikel over een gruwelijke moord op een vrouw, enkele dagen geleden in haar eigen huis. Haar eigen man gearresteerd als de hoofdverdachte, maar schreeuwt zijn onschuld uit, dat het indringers waren, ook al zijn er geen sporen van inbraak of diefstal. Een afrekening van een op het eerste zicht doodgewone vrouw. Opgezogen door het verhaal merkt ze niet dat iemand haar tafel benadert.

‘Pardon? Esther?’

Ze plooit onhandig de kracht dicht en begroet verstrooid de jonge vrouw die haar net heeft aangesproken. Opnieuw vertoont ze alle kenmerken van vrouwen die haar zijn voorgegaan en de hulp van Esther hebben ingeroepen. Ze ziet de gespannen pose op trillende benen, hoe ze haar handtas omknelt tot haar knokkels wit kleuren en dan is er die blik, die specifieke blik, een gezicht al vervormd door al zoveel keer sorry te moeten zeggen. Eigenlijk kan Esther al het verhaal raden en hoeft ze enkel naam en plaats te horen. Maar ze aanhoort alles, hoe het haar hortend en stotend wordt meegedeeld.

‘Het begon zo goed. Echt goed. Hij bracht mij altijd zo hard aan het lachen. Een beter bewijs van de ware bestaat niet. Toch?’

Esther knikt wel, maar zegt niks.

‘Soms kan een man zich fantastisch schoon verliezen in de liefde en klinkt de grootste puberale onzin toch prachtig als hij het juist uitspreekt. Zo zei hij een keer dat hij pas ademen kon met mij in de buurt, dat ik zuurstof verspreidde, dat hij mij daarom zo vaak en lang kussen moest. Toch schoon. Niet?’

‘Ja. Niet slecht,’ reageert Esther. ‘Maar jij hebt niet afgesproken met mij om te vertellen hoe goed zit tussen jullie twee.’

‘… Misschien heb ik hem ook gedwongen om te veranderen. Omdat ik het zo graag hoorde, die grootse woorden. Ik vroeg hem altijd om te verkondigen wat hij zo speciaal vond aan mij, ook in gezelschap, ik wou hem moeite zien doen om iets nieuws te verzinnen. Ik heb dat obsessieve in hem aangemoedigd, want hij was niet zo in het begin.’

De vrouw pauzeert, alsof ze eigenlijk tegengesproken wil worden, dat het haar schuld niet is, dat ze zoiets nooit mag denken. Maar begrip tonen en halfslachtige dooddoeners debiteren behoren niet tot haar takenpakket. Dus vervolgt de vrouw haar relaas.

‘Ik wil hem terug zoals hij was, in het begin. Toen we waren allebei op ons best. Dan kunnen we terug herbeginnen.’

‘Ik denk dat er een misverstand is. Ik doe aan straffen en wegwezen. Ik doe niet aan relatietherapie.’

‘Maar wacht. Als hij zou weten dat ik even hard kan terugslaan, via jou dan, dan zou hij anders zijn. Dat weet ik zeker.’

‘Nee, sorry, zo werkt het niet.’

‘Ik dacht dat jij grote boze wolfin was, de beschermster der verslagen en geslagen vrouwen,’ zegt ze, iets te luid vreest Esther.

‘Shht. Ik snap dat je problemen thuis hebt en ik vind dat heel erg. Versta mij niet verkeerd, maar ik ga hem niet in mekaar slaan en jou dan binnen te roepen voor een goed gesprek. Er is een reden waarom ik het zo zakelijk doe.’

‘Ik kan gerust meer betalen dan de rest. Want daar draait het om voor jou. Onderhandelen over de financiële waarde van onze problemen.’

‘Nee, echt niet. Alstublieft, iets stiller. We zitten hier niet alleen,’ sist Esther.

De vrouw grabbelt in haar handtas en legt een goed gevulde envelop op de tafel. ‘Tel maar na en zeg dan ja of nee. Ik ga een stuk taart bestellen.’

Esther hoeft niet eens te rekenen om te beseffen hoeveel geld haar aangeboden wordt. Toch rest er een twijfel. Want in geldnood verkeert ze niet. Simon verdient riant goed bij het advocatenkantoor en zij versiert ook wel genoeg freelance redactiewerk. Maar dit geld behoort uitsluitend haar toe, om weg te steken in haar lade van de badkamer, haar ontsnappingsplan mocht het ooit allemaal mislukken.

Ze neemt terug plaats aan tafel, met een flink stuk kaastaart en twee vorken. De envelop nog steeds onaangeroerd, tot de verbazing van de vrouw.

‘Dus toch een nee?’

‘Niet persé. Geef mij een deel nu en mail mij wat hij precies doet met jou. Zet als titel wel “redactie gevraagd”. Ik zal het lezen en dan beslissen. Goeie keuze trouwens,’ zegt Esther, neemt een hap van de taart en verlaat de zaak.

Uiteindelijk belooft Esther haar te helpen en liegt zichzelf voor dat deze beslissing meer te maken heeft met die lange hartverscheurende mail dan met het vooruitzicht van een serieuze compensatie. Ze spreken af om het plan uit te voeren op een donderdagavond.

Simon heeft aangekondigd dat hij opnieuw tot laat werken moet, omwille van een uiterst belangrijke rechtszaak, waarover hij blijkbaar ooit gesproken heeft en Esther geen detail meer van herinnert. Zal wel aan zijn boeiend betoog hebben gelegen.

Ook trommelt Esther opnieuw Lieselot op om te komen babysitten en opnieuw laat ze weten dat ze niet te lang blijven wil. Deze keer niet wegens een ultimatum van haar vader, maar een afspraakje met een nieuw lief. Hoeveel extra geld Esther haar ook aanbiedt. Maar het zestienjarige meisje toont zich minder gemakkelijk te paaien met poen dan Esther zelf. Het zal wel grote liefde zijn.

Om acht uur ’s avonds heeft ze afgesproken met de vrouw, op de hoek van haar straat. De vrouw zou haar huis verlaten onder het mom van sigaretten te kopen. Op de passagierszetel heeft Esther al een pakje in een typisch plastic zakje klaargelegd.

Het is iets na acht uur wanneer ze de vrouw haar huis ziet verlaten, haar nervositeit overduidelijk zichtbaar, een passante lijkt haar te vragen of er iets scheelt. Maar de vrouw negeert de bezorgde burger en stapt aangedaan de auto in, waardoor ze de sigaretten plet en nu onbruikbaar zijn geworden. Ze begroet Esther niet en blijft voor zich uitstaren. Minutenlang.

Wat Esther ongeduldig maakt en de slaagkansen van hun plan drastisch minimaliseren. Want als ze niet snel terugkeert, zelfs zonder sigaretten, zal de man onraad rijken en haar komen zoeken buiten. Ze blijft wanhopig op haar inpraten.

‘We moeten iets doen. Snel. Eigenlijk nu. Anders lukt het niet.’

Dan opent de vrouw de portier en neemt ze het pakje verbrijzelde sigaretten vast.

‘Kom, we doen het,’ zegt de vrouw, bevreemdend gedecideerd.

Esther moet zelfs wat lopen om haar snelle tred te kunnen bijbenen. Plus nog eens die lange dikke sjaal uit haar handtas krijgen. Aangezien een iets betere vermomming haar aangewezen lijkt in dit geval. Idealiter zou ze een bivakmuts moeten dragen, maar waar koop je dat zonder aan de kassa bekeken te worden als een bankovervaller in spe. Ooit probeerde ze eens een XXXL Kerstmis uit, gekocht tijdens de solden, waar ze twee ooggaten knipte. Maar weinig indruk maakte het op de man in kwestie en al na twee minuten zweette ze al zo hard dat het vreselijk begon te jeuken. Dan maar een sjaal, ook lopen sommigen nog in shorts rond tijdens deze vroege herfstdagen.

De vrouw tracht zich koelbloedig te gedragen, maar kan haar bibberen niet bedwingen bij het zoeken van het slot met haar huissleutel. Esther moet ingrijpen en opent in haar plaats de voordeur. Samen glippen ze naar binnen. Op verzoek van Esther blijven ze staan in de hal, om de omgeving in zich op te nemen. Maar zonder concrete aanleiding verbreekt de vrouw de afgesproken strategie en roept ze dreigend luid dat ze thuis is. Esther wil haar in paniek het zwijgen en drukt haar hand tegen de mond van de vrouw. Deze rukt de hand weg en begint nog luider te schreeuwen.

‘Kom je roken?’

‘Je weet toch dat ik niet rook,’ hoort Esther de man zeggen, zijn verbazing over het onbezonnen gedrag van de vrouw even groot als de hare.

‘Ik wil toch dat je komt.’

Esther schudt heftig met haar hoofd en begint in het rond te speuren naar een verstopplek. Maar haar enige en beste optie lijkt gewoon te vertrekken, te veel variabelen in het spel beland. Echter dat wordt haar ook niet gegund, want daar verschijnt al de man in de hal.

‘Wie is dat?’

Voor Esther zelf iets verzinnen kan als reactie, begint de vrouw weer even luid te roepen, ook al staat hij vlak bij haar.

‘Zij komt jou kapotmaken, jij vuile klootzak. Ze gaat jou laten voelen wat er gebeurt met eikels die mij bedriegen.’

‘Over wat heb je het?’

‘Je weet maar al te goed over wat ik het heb. Met mijn beste vriendin godverdomme,’ brult ze en om haar beschuldiging kracht bij te zetten, slaat ze nog eens met haar vlakke hand op zijn wang. Uit een reflex duwt hij haar weg, waardoor de vrouw hard tegen Esther botst.

‘Zie je wel, zie je hoe hij is,’ jankt ze nu tegen Esther, terwijl deze blijft staan, hoewel elk rationeel mens al lang vertrokken was. Maar zij niet, de invloed van zijn plotse agressie tast haar al aan en dat zomaar uitschakelen lukt haar niet meer.

‘Ik vraag het niet nog een keer, wie ben jij,’ hijgt de man.

Esther kijkt hem even indringend aan, haar ogen net zichtbaar boven de sjaal en voelt haar bloed kolken nu hij haar in het vizier heeft. Alsof hij toch gewaar is van haar als volkslegende, die over de vrouw met de vurige vuisten, bedaart hij wat en vraagt hij iets kalmer haar sjaal te verwijderen. Wat Esther weliswaar weigert, ook al zou het zeker de gespannen sfeer kunnen doorbreken. Maar onherkenbaar blijven lijkt veiliger dan de situatie ontmijnen, want een boze man trotseren heeft ze al genoeg gedaan.

‘Doe het uit. Nu,’ roept de man, met volume die de vrouw overtreft terwijl deze nog verwikkeld zit in een monoloog met de ergste verwijten over hem. ‘En vond je het lekker? Mocht je bij haar wel in haar dikke kont? Misschien best wel, want die uitgeleefde kut van haar is zo slap dat het altijd in haar baarmoeder.’

‘Hou je kop, jij paranoïde zottin. Er is niks gebeurd.’

‘Ik heb die berichten wel gelezen. Met dezelfde zinnen die je ooit tegen mij zei,’ zegt de vrouw, haar stem al kapot geschreeuwd en nu hees maar even heftig.

‘Schat. Ik kan alles uitleggen. Maar dat is iets tussen jou en mij. Ik weet niet wie dat is, maar zij heeft hier niks mee te maken. Ik wil dat ze weg gaat.’

‘Esther blijft, om mij te beschermen.’

Bij het horen van haar naam weet Esther dat elke kans om zonder enige repercussie weer te vertrekken verkeken is.

‘Esther wie?’

En terwijl hij de vraag stelt, grijpt hij naar haar sjaal, of hij haar toch van ergens herkennen kan. Te laat voelt ze hoe de dikke stof van haar gezicht verdwijnt en hij haar in zich opnemen kan. Maar tijdens zijn ontmaskering heeft hij ook een lok van haar haar vast en rukt hij die uit haar kapsel. De pijn is plots en haar reactie ook. Met het onderste deel van haar handpalm beukt ze frontaal tegen zijn mond, zijn tanden krassen over haar huid. Als scheermesjes zo scherp snijden ze in haar vel en bloed vloeit over haar onderarm. Ze moet echt stoppen met te mikken op monden, beseft ze.

Straks, wanneer de kracht is uitgewerkt, zal het zoveel zeer doen. Nu propt ze de getroffen onder haar oksel en probeert niet te denken aan hoe zijn smerig speeksel reeds in haar bloed sluipt. De schade bij haar lijkt groter bij haar dan bij hem, maar toch trekt hij zich terug in de andere kamer.

‘Ik ga de politie bellen, je hebt mij godverdomme bellen.’

‘Hou hem tegen,’ roept Esther tegen de vrouw. Maar deze verkiest om op dit moment te beginnen zeuren over haar tevredenheid als klant.

‘Heb ik jou zoveel betaald? Voor één keer te slaan?’

‘Meen je dit, mens? Het is goed, ik ga wel.’

Aangezien de man nog steeds haar sjaal vastheeft, is Esther genoodzaakt snel iets anders te zoeken om haar gezicht te bedekken. Daarom plukt ze uit haar broekzak de enige zakdoek die ze meeheeft, ook al is deze bedrukt met de afbeelding van éénogige MinionÓ. Ze bindt deze rond haar mond en vreest dat ze eruitziet als mentaal gehandicapte bankovervaller. Maar nu nog wisselen zal niet lukken, want ze hoort hem, niet helemaal verstaanbaar wegens de slag op zijn bakkes, al in de andere kamer een inbraak melden aan de politie.

‘Ze heeft me ook al aangevallen, ik zei, ze heeft me al aangevallen.’

Nog pompend van de adrenaline rent Esther de huiskamer in en belandt met een vindt ze zelf sierlijke sprong op hem. Beide vallen op de grond en de telefoon glipt op zijn handen, met de stem van de noodcentrale nog te horen.

‘Meneer, hebt u gedronken? Want u klinkt beschonken.’

‘Help,’ roept de man naar het toestel twee meter van hem.

‘Meneer, we hebben meer dan dat, kunt u alstublieft uw adres geven.’

Maar voor hij dat verzoek kan inwilligen, drukt Esther haar vinger op zijn lippen en priemen haar ogen in die van hem. Hij knikt dat hij het begrepen heeft.

‘Meneer, als u niet antwoordt, moet ik dit gesprek beëindigen. Val alstublieft ons niet lastig met valse oproepen. Bent u daar nog,’ vraagt de telefoniste duidelijk verveeld.

Pas wanneer ze daadwerkelijk de verbinding verbreekt, spreekt Esther de man toe.

‘Luister goed naar mij, zij heeft mij gevraagd iets duidelijk te maken, namelijk als jij haar nog één keer slaat of pijn doet, dan kom ik terug en sla ik tien keer harder terug. Oké?’

‘Maar ik heb haar niet…’

‘Ik zei oké.’

Nu zwijgt de man en knikt gedwee.

‘Dus wat er ook aan de hand is tussen jullie twee, het interesseert mij niet, het zijn mijn zaken niet, ook al lijkt dit het omgekeerde van wat ik zeg, los het op en vergeet dat ik hier ooit was.’

Kortstondig lijkt deze tactiek van hem bang maken te werken en blijft hij ook roerloos liggen wanneer ze rechtop gaat zitten. Maar dat is gerekend buiten het volatiele karakter van de vrouw die haar kans schoon ziet om haar wraak bot te vieren. Want daar verschijnt ze al, nog volop in haar exposé over zijn ontucht en haar tekortkomingen.

‘En wat heeft zij dat ik niet heb? Toch niet die tieten, die zien eruit als twee roze plastic zakken met elk een mandarijn op de bodem. Waarom heb je dat gedaan? Vind je ons dat zo onbelangrijk?’

Waarbij ze haar woordenstroom onderstreept door hem hard in de zij te stampen. De man krimpt inéén van de pijn en Esther roept haar toe om te stoppen. Maar het mag niet baten, nu richt ze zich op het hoofd met een welgemikte schop. Alle kracht verdwijnt uit het lijf van Esther wanneer ze merkt dat de man niet meer bij bewustzijn is. Maar dat houdt haar niet tegen, nog schoppen volgen en het gezicht van de man verandert in aan amalgaan van blauw en bloed.

De bijtende pijn in haar hand eist nu alle aandacht op. Esther springt recht en duwt met haar ongeschonden hand de vrouw weg.

‘Stop, je hebt gewonnen.’

Nu pas lijkt ze vatbaar voor suggestie en aanvaardt het bevel. Hijgend blijft ze staan, trots neerkijkend op het slachtoffer. Esther haast zich naar de badkamer, waar ze alle kasten overhoophaalt op zoek naar ontsmettingsmiddel en verband. Ze spoelt de wonde schoon en winkelt een hele rol errond. Nog geen flauw idee hoe ze dat uitgelegd krijgt thuis.

Terug in de huiskamer is de scène ongewijzigd. Als een overwinnaar staat de vrouw nog steeds glorieus naast de verslagen man. Hoe zwaargewond hij is, kan ze niet inschatten, met als enig teken van leven het zachte gereutel uit zijn beschadigde mond.

‘Oké, we moeten een ambulance bellen,’ zegt Esther.

‘Waarom?’

‘Kijk naar hem, je bent te ver gegaan. Dit was het plan niet. Jij wou hem gewoon laten schrikken.’

‘Hij ziet er behoorlijk geschrokken uit, vind ik,’ zegt de vrouw en lijkt werkelijk een bulderlach te verwachten van Esther.

‘Hij ziet er niet geschrokken uit, hij ziet eruit alsof heel de ochtendfile op de snelweg over hem is gereden. Hij moet verzorgd worden.’

‘Ik zal hem verzorgen,’ zegt de vrouw en gaat op haar hurken zitten. Ze strijkt haar hand door zijn haar en kust hem teder op het voorhoofd.

‘Jij bent zot.’

‘Doe je altijd zo gemeen tegen je klanten?’

‘Als ze mij belogen hebben, wel. Je vroeg bescherming en hij ligt hier halfdood. Door jou, godverdomme,’ zegt Esther, nog steeds met die zakdoek rond haar mond.

De vrouw zucht verveeld en geeuwt zelfs opzichtig luid. Om zich dan recht te stellen en haar handtas pakken. Ze overhandigt Esther de envelop met de rest van het geld.

‘Wel veel geld voor een beetje bescherming. Voor een vrouw met zo’n gave vind ik jou wel wat naïef.’

‘Hou je geld maar. Advocaten zijn duur, naar het schijnt.’

‘Dat kun jij wel weten, Esther. Is jouw man zo’n pro deo sukkel?’

Perplex door het nauwelijks verborgen dreigement valt Esther stil en aanvaardt ze de dikke envelop.

In de auto onderweg naar huis grijpt ze zelf vier keer naar haar telefoon en toetst het noodnummer in, maar steeds gooit ze het toestel neer op de passagierszetel, naast haar zwijggeld. Ze vervloekt haar laf gedrag, maar houdt zich voor dat ze het allemaal doet om haar eigen gezin te beschermen.

Terug thuis, met haar kind in bed en Lieselot languit op de zetel, voelt de confrontatie van eerder al snel als iets van een ver verleden. Hoe vaak ze deze woning ook verfoeit wegens gevuld met te dure spullen, nergens voelt ze zich veiliger dan voorbij haar voordeur. Esther roept dat ze eerst naar het toilet moet, voor ze zich laat zien aan Lieselot. Ook al zou deze hoogstwaarschijnlijk zelfs tijdens de Apocalyps naar haar schermpje staren om geen enkele tweet met #NoMoreWorldOMG te missen terwijl voor haar voeten de doden uit de grond klauteren. Maar voor de zekerheid verdwijnt Esther in de badkamer om haar wonde nog eens te ontsmetten en te verbergen met een grote pleister beschilderd met een verdrietige dinosaurus. En om haar envelop met geld weg te steken.

Op de vraag of Felix flink is gaan slapen, vertelt Lieselot dat hij even tegenstribbelde, omdat hij slapen saai vindt.

‘Hij vindt alles saai, de laatste tijd,’ zegt Esther.

‘Vraagje, mevrouw Booms?’

‘Natuurlijk.’

‘Waarom zoveel lelijke schilderijen?’

Voor de zoveelste keer zou Esther gewoon haar hart willen uitstorten en alles in één gulp opbiechten, al is het tegen een puber die denkt en praat zoals ze een SMS opstelt, maar ze verbijt deze opwelling.

‘Vind je ze lelijk? Ik vind ze wel iets hebben. Smaken verschillen zeker.’

Lieselot staart haar aan, zoals elke zestienjarige kijkt naar die ene gênante tante op een familiefeest die na drie porto’s het bloemstuk op haar hoofd zet en luidop getuigt over die ene neukpartij tijdens een vakantie in Senegal door de aubergine op haar bord te vergelijken met de penis in haar bed. Of zoiets. En Esther weet dat elke kans om geloofd te worden door deze jonge vrouw ook ongeveer nul benadert.

Lieselot vertrekt richting vriendje en Simon komt niet snel daarna terug thuis. Uitgeput als altijd en neemt ook genoegen met een uitéénzetting over gebroken glas wanneer hij naar haar pleister wijst. In bed volgt er nog een luie vrijpartij, nadat ze een beetje aandringt. Opnieuw verbaast het haar hoe lang en graag hij haar beffen wil, waarbij Esther nooit goed weet wat te doen met haar handen en dan maar haar eigen borsten vastpakt.

  • Reacties(0)//blog.joostvandecasteele.be/#post144