mijn aanwezigheid

mijn aanwezigheid

roman in wording, deel 2

pogingen tot impactGeplaatst door Joost Vandecasteele do, juni 29, 2017 11:04:38

4.

Enkele weken lang probeert Esther een radicale normaliteit vol te houden. Opnieuw wordt de babysit ingeschakeld op verschillende avonden, maar deze keer om als koppel te verschijnen bij feestjes van kennissen. Overdag spreekt ze af met vriendinnen van weleer en stemt ze in met elke uitnodiging. Allemaal als een poging om zich te verbergen in totale zichtbaarheid. In een tijdperk waarin elk reëel en virtueel spoor uitgewist kan worden, kiest Esther voor het omgekeerde, met een netwerk van mensen als een kluwen van veiligheidskoorden aan haar vastgeklikt. Met elk compliment over hoe lief en goedlachs ze, met elke opmerking over haar ongebreidelde spontaniteit als een extra laag over haar geconstrueerde cocon om de vrouw erin te beschermen tegen zij die haar zoeken. Want wie zou een verheven vrouw van 36 als haar kunnen verdenken van iets gruwelijks als een extreme geweldpleging.

Naarmate de dagen vervagen, groeit ze in haar rol van vrolijke vrouw. Toch van buitenaf gezien. Binnenin echter ontwikkelt haar kracht een niet te negeren frustratie en eist deze steeds meer een moment van ontlading op. En de kracht krijgt wat ze wilt op een vrijdag voormiddag.

Al sinds het ontwaken staan haar zenuwen gespannen. Geteisterd door een vermoeidheid veroorzaakt door een kotsend kind en een verkouden vent begint Esther de dag met brokken braaksel te pulken uit het langharig tapijt in de kamer van Andrew. Ze was al vanaf dag één tegen dat tapijt, maar het was een geboortecadeau geschonken door haar schoonmoeder, wat haar vrijpleitte om iets te kopen van de lijst met werkelijk nuttige attributen.

‘Ik vind dat zo onpersoonlijk, een kinderwagen,’ zei ze als verdediging.

Het misnoegen van Esther voor dat tapijt veranderde in haat wanneer ook nog eens bleek dat de Roomba robot blokkeerde aan de rand en ze steeds zelf de stofzuiger moest bovenhalen in zijn kamer. Om daarna opgeslokte Legosteentjes uit de stofzuigerzak te peuteren en af te spoelen.

Terwijl zij op haar knieën kokhalzend kots bij elkaar sprokkelt, hoort ze in de kamer ernaast de rest van haar gezin lachen met tekenfilms tot ze moeten hoesten om dan zielig te zuchten als een weinig subtiel verzoek om appelsap. Waar ze niet op ingaat. Dit patroon van gelach, gehoest en gezeur blijft zich volhouden, zonder enige reactie van Esther. Tot ze haar man hoort jammeren.

‘Schat, Edward heeft gekotst in de zetel en ik heb spatten op mij gekregen.’

Een uur later zit ze in de auto met het misselijke kind op de achterbank, op weg naar de dokter na een telefonische smeekbede. Het was Simon die haar afraadde de bus te nemen, zodat Edward niet weer overgeven zou. Maar bij elke verkeersdrempel weerklinkt achter haar die onmiskenbare klank van bijna braken, zo frequent dat het haar ook opnieuw aan het kokhalzen krijgt. En zo manoeuvreert ze zich doorheen onwillig verkeer, opgejaagd door een opdringerige Audi in haar kielzog. Hoewel noch links noch rechts plaats bestaat om haar voorbij te steken, zigzagt de wagen achter haar heen en weer, als een soort poging tot hypnose om haar aan de kant te krijgen. Maar Esther vertikt het om zich op een fietspad te begeven, ook al is er geen fietser in zicht. Ook al begint de kerel te toeteren, alsof zijn intenties nog niet duidelijk genoeg waren.

Zijn lawaai camoufleert heel even het gerinkel van haar telefoon. Net voor deze overschakelt op voicemail ziet ze dat Simon haar bereiken wil. Ze zet het op luidspreker, maar het getoeter overstemt zijn nasaal gemompel. Ze roept om zijn vraag te herhalen, maar haar zoon reageert in zijn plaats.

‘Ik heb toch niks gezegd, mama.’

‘Nee, ik heb het tegen je vader.’

Waarna Edward begint te roepen op een beat van getoeter en Simon nog steeds geen idee heeft wat er van hem verwacht wordt en zijn lijstje van wensen verder aframmelt. Zodat het allemaal samen resulteert in een kakafonie van irritante tonen.

‘Papa, papa.’

‘Toet, toet.’

‘Je weet welk bruiswater ik bedoel, niet met die heftige bubbels.’

‘Toet, toet.’

‘Papa, papa.’

‘En wel zin in iets met spaghetti vanavond.’

‘Ik wil geen spaghetti.’

‘Toet, toet.’

‘Ik wil frieten.’

‘TOOOOEEEEET.’

‘Mama, ik voel me niet goed.’

En alles komt tot een climax bij de volgende verkeersdrempel. Één die Esther te laat opmerkt en uit automatisme trapt ze op haar rem. De wagen achter haar zit zo dicht bij haar dat hij onmogelijk op tijd stoppen kan. De klap voelt als een gemene duw in de rug, Edward schuift in een schok naar voren, zijn veiligheidsriem drukt zich in zijn maag en veroorzaakt een vlaag aan braken. En dit allemaal terwijl haar onoplettende vent zijn boodschappenlijstje blijft afdreunen.

‘En van die drinkyoghurt met 300 procent van aanbevolen vitaminen erin.’

‘Nu niet, Simon.’

Esther verbreekt het contact, maar gaat er wel vanuit dat hij nog zeker een paar seconden in het ijle doorpraten zal. Ze draait zich om en aanschouwt de schade binnen op de achterbank. Daar ontdekt ze een jongentje met zijn handen geopend op de schoot om het meeste van zijn overgeefsel tevergeefs op te vangen. Bruine brokken in een romige saus van slijm en gal hebben zich verspreid over het geheel van de zetel. Zijn mond en zijn trui besmeurd met vloeibare penetrante stank.

‘Edward, schat, ik heb maar één zakdoek mee, sorry.’

Terwijl ze de zakdoek aan een snikkend kind overhandigt, ziet ze door de achterruit de man die haar aangereden heeft uit zijn wagen stapt.

‘Maar nu moet mama even iets regelen. Ik ben zo terug.’

Nog voor Esther de schade buiten aan de bumper bekijken kan, begint de man centimeters verwijderd van haar gezicht haar uit te schelden en te bedreigen. Als een lont aangestoken bij zijn eerste woord voelt ze hoe in haar binnenste een kracht zich ontplooit. Dit onderdrukken lukt haar nog net. Maar dan moet die vent wel zich dringend bedaren.

‘Jij smerige trut met je goedkope kar. Kijk wat je gedaan hebt. Als je niet kunt rijden, blijf dan van de baan.’

Ondertussen is er een andere auto achter de zijne opgedoken en begint deze op zijn beurt te toeteren. De ironie van de situatie ontgaat hem volledig en nu begint hij te roepen naar de andere chauffeur.

‘Wat zit je te toeteren, sukkel. Je ziet toch dat je er niet langs kunt.’

‘Laten we ons parkeren en papieren regelen,’ probeert Esther.

‘Ach, nu kun je wel plots aan de kant. Om andere auto’s te laten passeren. Maar als ik het vraag, blijf je egoïstisch rechtdoor rijden.’

Tot in elk uiteinde van haar lijf tiert en krijst een sensationele woede en ze voelt weer die heerlijke hitte die ze zo heeft gemist, als de nicotine van een te lang uitgestelde sigaret. Nog één woord, denkt ze, nog één verkeerd woord.

Ondertussen hebben zich zes auto’s achter hem verzameld en allen zijn ze verwikkeld in een overtreffende trap van getoeter. Een kabaal die hem doet instemmen en ze stappen hun eigen wagen in.

‘Nog eventjes geduld,’ zegt Esther tegen een rillende Edward die nauwelijks een fractie van de kots heeft weg gekregen en nu als eindresultaat ook nog eens een vuile zakdoek bezit. De twee auto’s rijden een doodlopende zijstraat in, om zeker niemand te blokkeren. Die paar seconden verwijderd van elkaar lijkt wel een kalmerend effect te hebben op beiden. Minder opgefokt dan ervoor staan ze terug oog in oog met elkaar. Esther met de aanrijdingsformulier in haar hand, de man met een opgetrokken portefeuille.

‘We gaan dat zo regelen. Oké,’ zegt hij. Niet als vraag, maar als besluit.

‘Nee,’ zegt ze even resoluut.

Maar deze simpele negatie van zijn voornemen zorgt voor een kortsluiting in zijn kop. Haar tegenspraak geïnterpreteerd als een belediging. Waardoor hij woorden als ontoereikend beschouwt en overgaat naar daden. De man haalt een biljet van vijftig euro boven en forceert het geld in haar handpalm. Vanuit de kinderachtige gedachte dat vastpakken hetzelfde betekent als het aanvaarden. Zijn nagels prikken op haar huid en verbeten probeert hij haar hand te openen. Die daad alleen al ontketent de kracht in al haar glorie. Toch houdt ze zich in. Tot…

Tot hij haar toesist: ‘Of word je meestal pas betaald na het neuken?’

In een reflex grijpt ze hem vast bij de haren en in één vloeiende beweging laat ze zijn hoofd botsen met zijn eigen motorkap. En nog een keer. En nog een keer. Telkens harder en steeds sneller. Een handeling die haar nauwelijks moeite kost. Integendeel zelfs, met elke stoot van het hoofd tegen het metaal gebeurt de versnelling vanzelf, als een perpetuum mobile van geweld. Tot zijn gezicht tot iets even onherkenbaars wordt gereduceerd als de deuk die het creëert. Esther voelt in die luttele seconden hoe zijn lijf slap wordt, hoe hij elke weerstand verliest, hoe ze hem voorbij vernedering heeft gekregen. Toch stopt ze niet. Want het voelt zo goed, zoveel deugd doet het, zo gerechtvaardigd lijkt het. Niemand die haar tegenhoudt, niks dat haar aan het twijfelen krijgt. Een genot voelt ze nu, als iets wat ze zich te lang heeft ontzegd.

‘Mama?’

Daar, op het voetpad, als een bleek wezentje van een andere planeet, staat haar zoon te staren naar het tafereel. De smerige zakdoek nog steeds vastgeklemd. Het braaksel al versteend als schubben op zijn kleren.

‘Duurt het nog lang, mama?’

In een reflex ontglipt uit haar grip de man die bewusteloos neervalt op de motorkap. Esther probeert met haar lijf zoveel mogelijk de vermorzelde vent verborgen te houden en zegt dat Edward terug instappen moet.

‘Nee. Mama is bijna klaar hier, jongen.’

Wat niet echt een leugen was.

‘Je mag vooraan zitten.’

  • Reacties(0)//blog.joostvandecasteele.be/#post143

roman in wording, deel 1

pogingen tot impactGeplaatst door Joost Vandecasteele do, mei 25, 2017 16:44:09

(bezig met boek 7)

1.

Nog meer dan een uur voor de babysit afgelost moet worden. Nog net genoeg tijd voor wat chaos en geweld, rekent Esther. Ze heeft wel wat kostbare minuten verloren om het juiste huis te traceren, plus nog eens een dik kwartier rondrijden om een parkeerplaats te vinden.

Eigenlijk is een uur te kort voor wat ze van plan is, zeker met meerdere mannen. Even overweegt Esther om het uit te stellen. Maar dan heeft ze voor niks een babysit geregeld. Plus beloofd is beloofd en betaald is betaald. Ze steekt alle autopaperassen in haar handtas en laat het handschoenenkastje open, want een kinderzitje op de achterbank is geen garantie tegen diefstal in deze buurt.

Ze controleert voor de laatste keer het huisnummer met wat ze heeft opgeschreven. Met haar nagel krabt ze het opgedroogde bloed van het papiertje en lijkt het laatste cijfer het meest op een zes. Helemaal zeker is ze niet, maar terugkeren naar de kerel uit wie Esther de informatie heeft geslagen, is ook geen optie. Dan maar hopen dat ze goed heeft gegokt.

Schouder tegen deur. Het hout kraakt maar breekt niet. De pijn overspoelt haar lijf, maar straks absorbeert haar kracht de meeste zeer. Niemand op straat zegt iets of houdt haar tegen wanneer ze voor haar tweede poging een aanloop neemt en met haar opgerold lijf tegen het obstakel botst. De deur bezwijkt en stort neer als een harde mat waarop ze valt. Subtiel is Esther nooit geweest. Maar deze keer lijkt haar bombastische binnenkomst niet de beste strategie, nu iedereen in het huis brutaal gewekt is.

Het zorgt wel voor minder tijdverlies, want daar verschijnt al haar eerste aanvaller. Uit een kamer op het einde van de nauwe gang strompelt een naakte man in haar blikveld, met zijn broek in de hand. In plaats van deze aan te trekken, hanteert hij het kledingstuk als een slappe knots waarmee hij uithaalt. De riem raakt haar recht in het gezicht en de slag werpt haar tegen de muur. Een tweede uithaal, zelfde plek. Haar wang scheurt open en ze krijst het uit van de pijn. Een kreet zo schril dat hij achteruit deinst en hem aan het twijfelen krijgt. Alsof het allemaal een vreselijk misverstand is in plaats van een moedwillige inbraak. Maar het gillen heeft niks te maken met een nakende nederlaag, maar is een strijdkreet gepaard met de transformatie in haar. Zijn agressie voedt haar kracht. Iets wat hij meteen ervaart door haar vuist in zijn zij, zo hard dat ribben gebroken worden en adem ontnomen wordt. Geen tijd om te recupereren, want een volgende boks raakt hem in de maag. Hij plooit dubbel en smelt op de grond. Zijn lijf gereduceerd tot ongevaarlijk vlees, zijn meest dierbare bezit ingekapseld door al zijn ledematen. Maar Esther kreeg specifieke instructies om net daar toe te slaan. Ze ontmantelt zijn verdediging door zijn benen te scheiden van zijn bovenlijf en ontbloot zo zijn geslachtsdelen. Hij piept om gespaard te worden, maar zo werkt het niet. Met één stamp verbrijzelt ze zijn kloten en in zijn handpalmen omklemt hij het bebloede overblijfsel.

Nog maximum drie kwartier en nog minimum twee mannen te gaan. Esther haast zich naar de volgende verdieping. Het enige geluid in het huis is het monotoon grienen van de gevelde vent beneden. Verweven in zijn wenen prevelt hij een smeekbede om hulp, maar deze blijft onbeantwoord. Geen enkele deur op de eerste verdieping verroert zich, geen enkele levende ziel lijkt zich hier te verschuilen. Maar Esther weet beter en zeker dat wakkere mannen haar opwachten, klaar om haar kapot te maken in hun kleine territorium.

Ze gunt zichzelf tien seconden van rust, haar oren gefocust op het minste geluid om hun locatie te achterhalen. Maar na nauwelijks twee seconden verstoort het trillen van haar smartphone deze concentratie. Het zou een bericht van de babysit kunnen zijn en deze gedachte drukt meteen haar opgewekte kracht naar beneden tot weinig meer dan een bonkende sensatie van nervositeit in de buik. Ze haalt het toestel uit haar broekzak en leest hoe haar man meldt dat hij nog langer werken moet vanavond. Zoals zo vaak. Ze antwoordt niet, want een deur aan haar linkerkant kraakt open tot op een kier, net ver genoeg om een half gezicht te zien. Esther bergt haar telefoon weg en rent er naartoe. Maar in die anderhalve meter tot daar blijft haar kracht nog te klein om op te teren.

Esther stoot de deur open, de man valt op de grond en blijft hulpeloos liggen. Overmand door angst houdt hij zijn handen hoog als schild voor zijn gezicht. Maar zijn onwil om te slaan maakt haar net zwakker en haar kracht vervaagt. Haar enige optie is hem kwaad te maken om zo haar eigen woede te doen bloeien tot deze haar lijf weer overneemt. Ze tikt met haar voeten tegen zijn handpalmen in de hoop een fysieke reflex te verkrijgen, maar het enige wat dit oplevert, zijn gemompelde excuses en gesnik.

‘Nee, geen sorry zeggen, je moet mij uitschelden voor trut. Of hoer. Of… maakt niet uit, kies een belediging. Je kent er meer dan mij.’

‘Wat,’ stamelt de man.

‘Je moet mij beledigen, sukkel.’

‘Maar ik wil niet.’

‘Oké, je hoeft niet te roepen, je mag ook gewoon slaan.’

‘Maar dat wil ik helemaal niet. Het spijt me, ik weet niet wat ik misdaan heb, maar het spijt me echt,’ snikt de man.

‘Je weet het maar al te goed wat je gedaan hebt.’

‘Nee, echt, ik weet van niks.’

‘Je hebt godverdomme met zijn drieën een vrouw verkracht.’

‘Dat is niet waar, dat… ze was dronken, we waren dronken, het was gewoon een vergissing, het… sorry… hoe weet jij dat?’

‘Omdat jullie idioten het hebben gefilmd en haar nu proberen te chanteren ermee. Of durf je dat ook te ontkennen,’ roept Esther, in de hoop zo zichzelf in de zone te krijgen.

‘Nee, dat was ik niet… ik bedoel, ik heb meegedaan, maar die chantage is niet mijn idee, ik was daartegen.’

‘Wiens idee was dat? Wie heeft die opnames?’

‘Ik, jij gore bitch,’ weerklinkt er achter haar. Nog voor Esther zich draaien kan, klopt de derde man volop op haar achterhoofd. De pijn zendt een schokgolf door haar lichaam en doet de kracht ontvlammen tot een ongekend extreem. Met haar ellenboog raakt ze hem recht op de tanden. De beweging is zo bruusk dat ze nu geblokkeerd zit in zijn mondholte en zich niet losrukken kan. Wat de tweede man doet besluiten om toch zijn dierlijke agressie te ontketenen en haar te bestoken met zijn vuisten. Met haar linkerhand trekt ze aan haar rechterpols om zich uit zijn mond te wrikken, maar ze zit zo muurvast dat telkens zijn hoofd tegen de hare botst. Ondertussen is de tweede man rechtgestaan en slaat maniakaal tegen haar borsten, wat ze eerder als vervelend dan wreedaardig ervaart. Om hem tot bedaren te brengen, schopt ze tegen zijn schenen waardoor hij opnieuw op de grond belandt. Maar daar pakt hij haar vast aan haar enkel en sleurt haar naar beneden, samen met de man vastgezogen rond haar ellenboog. Ze valt achterstevoren, de man met een halve arm in de mond crasht met zijn kop tegen muur en verliest het bewustzijn. Zijn buik fungeert als een zacht vangnet voor Esther en gelegen op haar zij heeft ze nu beide voeten vrij om te kunnen stampen op het gezicht van haar belager. Als een sprinter die ter plekke trappelt, trommelen haar harde hakken op zijn hoofd. De man kermt en kreunt. Zijn handen bedekken het getroffen gelaat, maar worden ook verpulverd door haar voeten. Uitgeteld blijft hij doodstil liggen. Wat Esther de kans biedt om met haar vingers een weg te zoeken tussen haar ellenboog en zijn lippen. Ze scheurt zijn mondhoeken ver genoeg open om zichzelf te bevrijden.

Veel informatie kan ze niet lospeuteren van de man zonder tanden. Want mocht hij bij bewustzijn zijn, dan nog zou zijn kapotte mond enkel holle klanken kunnen produceren. Dan maar terug naar de man gelegen op de vloer. Ze grijpt hem vast bij zijn haren en forceert zijn hoofd in een onnatuurlijke hoek. Esther zou het huid van zijn hals kunnen scheuren, zo intens voelt haar kracht nu. Maar ze houdt zich in.

‘Waar is het filmpje,’ vraagt ze.

Hij jammert en herhaalt dezelfde excuses als daarnet. Maar geen tijd op overschot. Ze stampt nog eens hard in het gezicht en vraagt opnieuw naar het filmpje.

‘Op zijn telefoon,’ antwoordt hij en wijst naar de deur aan de overkant van de gang.

‘Bel hem op, ik wil het horen rinkelen.’

De man knikt verslagen en grijpt zijn eigen telefoon naast zijn matras. Hij houdt het toestel enkel centimeters van zijn oor, bevreesd voor pijn bij elke aanraking.

Een hijgerige hiphopdeuntje, ongepast bij elke situatie maar des temeer bij deze, weerklinkt vanuit de andere kamer.

‘Dank je,’ zegt Esther en begeeft zich richting het geluid. Onder stapels ongewassen kleren vindt ze de smartphone en steekt deze in haar broekzak. Ze checkt het uur op haar eigen telefoon. Het wordt nipt, denkt ze. Maar vertrekken kan ze nog niet.

Esther hurkt zich neer bij de man en staart naar zijn beschadigd gezwollen gezicht. Bibberend en bedeesd ontwijkt hij haar blik. Toch wacht ze tot hij iets zegt.

‘Ik ben niet zo. Ik zweer het. Ik ben niet zo’n man. Niet meer.’

Esther reageert niet.

‘Geloof je mij niet,’ vraagt hij.

Ze zucht. ‘Het is best dat je je wonden ontsmet voor je er ijs op doet. Maar eerst gebruik je die telefoon in je hand om de politie te bellen. Je zegt je naam, je adres en wat je gedaan hebt. Ik vertrek pas als je bekend hebt. Dan geloof ik jou.’

De man knikt en zonder aarzelen toetst hij het nummer in.



  • Reacties(0)//blog.joostvandecasteele.be/#post142

schetsen Jeroen Los 2

pogingen tot impactGeplaatst door Joost Vandecasteele za, december 24, 2016 09:35:09




  • Reacties(0)//blog.joostvandecasteele.be/#post141

schetsen Jeroen Los

pogingen tot impactGeplaatst door Joost Vandecasteele ma, oktober 24, 2016 10:11:13
Work in Progress door Jeroen Los voor boek 'Bella'



  • Reacties(0)//blog.joostvandecasteele.be/#post140

2 maal Het Parool over Brussel

pogingen tot impactGeplaatst door Joost Vandecasteele wo, maart 30, 2016 10:07:30

Bericht uit Brussel

Dinsdag 22 maart

8u30

We wonen nauwelijks driehonderd meter van zijn school. Maar toch vertrekken we altijd te laat. Dat ligt meestal aan mijn zoon, deze keer aan mij.

We zitten aan weerszijden van een tafel, hij is bezig met Lego en ik staar naar het computerscherm voor mij. Ik staar naar al die verbrijzelde ramen van de luchthaven. De knal moet enorm geweest zijn. Op dat moment weet ik nog niet dat er twee ontploffingen waren.

Maar we moeten vertrekken, we moeten naar school.

Hem thuis houden is geen optie, hij weet ook van niks, dat wil ik zo lang mogelijk zo houden. Niet uit angst om hem bang te maken, maar uit het besef dat de komende uren elk scherm in dit appartement vreselijke beelden zal tonen die ik wil/moet zien.

We wandelen met een flinke tred naar de school en voor de eerste keer sinds jaren zijn de sirenes luider dan het getoeter in Brussel. Ze komen van overal, ambulances, politiewagens, brandweerauto’s. Sirenes klinken nijdiger als de weg geblokkeerd blijft.

We zijn net op tijd, de schoolbel rinkelt maar klinkt niet luider dan de sirenes.

Misschien is hij deze klanken al gewoon, want hij vraagt niet wat er aan de hand, ik zou ook niet weten wat te antwoorden.

Hij is pas zeven, maar toch is dit niet eens zijn eerste lockdown in deze stad.

De vorige keer sprak ik over boeven die verstoppertje speelden en altijd in de minderheid zullen zijn tegenover de politie. Iets wat heel geloofwaardig klinkt de laatste weken.

Toen sloten ze alle winkels en metro’s om hen beter te vinden. Want politie mag vals spelen.

Deze keer is het aan ons om verstoppertje te spelen.

Ik omhels hem iets langer dan normaal.

9u30

De openbare omroep zit nog in een herhaling van het journaal van gisteren, nog in een lichte euforie over de geslaagde arrestatie in Molenbeek. Maar het voelt allemaal als ouwe archiefbeelden.

Alles voelt ook anders nu. Twitter toont foto’s van gewonden in de vertrek, korte filmpjes van rennende passagiers, hun kreten van paniek weerklinken zo schril door mijn luidsprekers.

10u30

Ik wissel van computer naar televisie en zap nog eens tussen de twee belangrijkste zenders, in de hoop dat de ene meer weet dan de andere. Maar wat de ene beweert, wordt door de andere tegengesproken.

De nieuwslezers in de studio nemen het opgefokte praten van de journalisten ter plaatse over en elke vraag aan elkaar kan samengevat worden in “En nu? En nu?”.

Ze spreken van twee explosies. Er zijn geruchten over Arabische kreten voor de eerste ontploffing, een ooggetuige ontkent dit later.

Maar niemand ontkent dat het aanslagen zijn als wraak voor de arrestatie in Molenbeek, misschien een lang geplande daad in stroomversnelling gebracht nadat de meest gezochte man van Europa zijn positie verraadde met een pizzabestelling.

Het stond te gebeuren, niet óf maar wanneer was de vraag.

En dan verandert de titel van ‘Aanslag in Zaventem’ in ‘Aanslag in Brussel’.

Nog een explosie melden ze, in metrostation Maalbeek, vlakbij het politieke centrum van dit land.

Foto’s van een grijze rookpluim waaruit strompelende pendelaars, bebloed en wankel, verschijnen. Ik ken dat station, het ligt niet ver van een vorig appartement van toen ik elk jaar binnen Brussel verhuisde.

Een halte die meer dan anderen eruit zag als een versterkte bunker, meters diep in de grond. Bestand tegen het ergste van buitenaf, maar kansloos van binnenuit.

11u30

Ik probeer de school te bereiken, telefoneren lukt niet, het netwerk is overbelast.

Een sms lukt wel, of ik hem halen moet, maar geen antwoord.

‘Blijf binnen,’ zegt de regering op televisie.

Alle metrostations worden gesloten.

‘Telefoneer niet alstublieft,’ smeken ze op Twitter.

12u30

‘De schoolpoort is gesloten, kinderen zitten veilig binnen,’ sms’t de school terug.

Ik stuur datzelfde bericht door als antwoord op bezorgde berichten van familieleden.

En dan is er dat ene beeld, een snel genomen foto van het metrostel in Maalbeek na de ontploffing.

Het blurren van de kapot gereten lijven tussen de brokstukken gebeurt pas na het refreshen. Alles is zwartgeblakerd, her en der nog onaangetast oranje geschilderd metaal, de metro herken ik als een oud model, zo één met plakkerige palen en harde plastieken stoelen.

Op Facebook stellen mensen elkaar gerust dat ze veilig zijn. Iemand toont bijna jaloers een foto van haar slapende zorgeloze baby.

Iemand post een foto van een middelvinger in de vorm van frieten, iemand anders een tekening van een huilende Kuifje.

13u30

Buiten op de straat rijdt de vuilniskar langs en is er vertrouwd gescheld te horen over een dubbel geparkeerde auto. Een werkman aan de overkant start een elektrische zaag op. Hun schelle samenzang overstemt de sirenes. Maar niet voor lang.

Bijna elk halfuur stijgt het aantal doden, zeker die in de metro. Het was dan ook spits, een directe lijn vanuit Brussel-Centraal.

Die wanhopige klootzakken hebben 22 maart geclaimd.

Meer krijgen ze niet.

14u30

De school stuurt een mail naar elke ouder.

Over een uur mogen we hen komen afhalen, buiten aan de poort, niet binnen op de speelplaats.

15u30

Bommen en boeven.

Dat is zijn samenvatting.

Even duidelijk als die tekening op Twitter van Manneke Pis die op een machinegeweer urineert.

16u30

Zijn Lego ligt nog altijd verspreid op de tafel van vanmorgen. Ik schrijf deze woorden met hem opnieuw aan de overkant. Dit document neemt een half scherm in beslag, de andere helft een online live-verslag van een krantenwebsite. Hij zegt dat zijn zelfgebouwd vliegtuig ook helpen kan, boeven vangen. Ik moet even stoppen met typen, ik kan even niet meer. Ondertussen spreken ze van meer dan 30 doden.

19u30

Met een half oog kijken we met zijn drieën naar het journaal, naar de herhaling van de herhaling. Hij lijkt gerust gesteld door zoveel politieagenten te zien op het scherm, toch vraagt hij of iedereen die we kennen oké is.

We horen door dezelfde experts dezelfde conclusies als na Parijs en we weten dat morgen de solidaire tweets van vandaag in het niks zullen verdwijnen met de stortvloed aan beschuldigingen.

Net voor hij in bed moet, is er nog een mail van het school.

Morgen terug open, staat er, ‘als normaal’ tussen aanhalingstekens.

Klinkt als een goed plan, terug ‘normaal’ doen, met prikkende ogen.

Veroorzaakt door ingehouden tranen en te lang naar scherm staren.

20u30

Hij slaapt. Sinds ‘Inside Out’ is hij ook overtuigd dat er wezentjes in zijn hoofd zitten. En als hij aan slechte dingen denkt, dan moet ik die wezentjes goeie moed inpompen. Meestal lukt dat met een kriebelende kus op het voorhoofd. Het is weinig wetenschappelijk, maar het werkt wel.

Ook na een dag als vandaag.

Woensdag 23 maart

8u30

We wonen nauwelijks driehonderd meter van zijn school. Maar toch vertrekken we altijd te laat.

Dat ligt meestal aan mijn zoon, deze keer ook, de treuzelaar.

Het 'normale' lukt min of meer. Er is weer die 'normale' balans tussen sirenes en getoeter. Onderweg naar school passeren wee de afgesloten metalen deur van tramhalte Lemmonnier.

Niet alle metro's rijden, niet alle toegangsdeuren van treinstations gaan open. Pendelaars worden gecontroleerd, Brussel is als een kladversie vandaag.

De speelplaats is ook kalmer dan 'normaal'. Minder kinderen en zo veel meer ouders die blijven hangen. Een taxichauffeur die de terroristen vervoerde en slechts drie van hun vijf koffers wou meenemen, wordt bejubeld.

België maakt haar ergste aanslag ooit mee en de verantwoordelijkheden zijn criminelen die er niet eens aan denken om een grote taxi te bestellen.

09.30

Zij die mij gisteren niet konden bellen, doen dat nu. De televisie blijft uit.

Ik sluit dit worddocument en open een scenario in wording.

(Bericht uit Brussel verscheen op 23 maart in Het Parool.)

Bijna een minuut stilte in Brussel

Joost Vandecasteele

De dag van de aanslagen lukte bellen niet wegens een overbelast telefoonnetwerk.

De dag erna kan ik niet betalen met een bankkaart wegens een overbelaste internetnetwerk.

Deze keer niet veroorzaakt door de communicatie tussen hulpdiensten, maar omdat alle neergestreken buitenlandse journalisten in dezelfde koffiebar bij het Beursplein op de gratis wifi zitten.

De twee verdiepingen barsten uit hun voegen, maar dat is nog niks vergeleken met wat er buiten te zien is.

Daar, op dat kleine ironisch genoeg autovrije plein, staan er tientallen zendwagens van over heel de wereld met hun camera’s gericht op de kaarsen en de krijttekeningen van de dag ervoor.

Het is officieel nu, Brussel is opgenomen in de non-stop nieuwscyclus die elk uur herhaald wordt, haar internationaal belang ergens tussen een natuurramp en een uitspraak van Donald Trump.

Na Parijs daagde dezelfde immense perskaravaan op in Molenbeek om in te zoomen op opgefokte jongeren, hun agressieve fuck you-attitude als hun versie van de punkgedachte.

Deze keer zitten de cameraploegen in het centrum van Brussel, nauwelijk een kilometer verder want zo gecondenseerd is deze stad, om in te zoomen op rouwende gezichten.

En dankzij hun lokale fixers weten ze al waar de beste koffie te vinden is.

Na de ontploffingen was er een stilte, voor eventjes toch.

Maar stilte blijft nooit lang overeind in Brussel.

Dinsdag werd ons gevraagd binnen te blijven, een verzoek door velen genegeerd.

De Brusselaar bezit dan ook een aangeboren antiautoritaire onwil om zich te schikken en netjes te gedragen.

Iets wat mij altijd heeft aangetrokken tot deze Vlaamse/Belgische/Europese/Jihadi hoofdstad, in mijn constante zoektocht naar onrust.

Deze gedeelde onrust zal deze stad ook helpen in het heropstarten.

Want dachten die terroristen echt dat ze ons van ons stuk konden brengen? Wat een arrogantie.

Dus geen betere samenvatting van deze stad dan de twee mislukte minuten van stilte op woensdag- en donderdagmiddag.

De eerste vond plaats op het Beursplein, waar na nauwelijks twintig seconden een zatlap onverstaanbaar begon te brullen tussen de menigte. Onze versie van de Dam Roeper, maar dan zonder de paniek erna.

Want we kennen hen zo goed, de zatten en de zotten van deze stad, hun dagelijkse dosis zware alcohol goedkoop te vinden in al die nachtwinkels. De trappen van de Beurs als hun vaste plek, in afwachting tot het gebouw omgevormd wordt tot een Biermuseum.

Na hem werd het nooit meer stil, ook bij een tweede poging de volgende dag aan het federale parlement in gezelschap van het koningspaar en alle regeringen van dit land. Behalve de Vlaamse regering, die was liever solidair met de slachtoffers bij hun eigen parlement.

Deze keer blijft de stilte dertig seconden duren, tot op de achtergrond een schel ononderbroken getoeter te horen is. Waar zelfs de koning niet van opkijkt.

Van de politici aan elk parlement krijgen we te horen dat het aanval op onze vrijheid was.

Maar zo voelt het niet.

We zijn niet aangevallen door terroristen, maar door vervroegd vrijgelaten criminelen met gewapende overvallen op hun strafblad die zich opgejaagd voelden nadat hun even crimineel vriendje per toeval opgepakt werd. Religie en het lot van Syrië als een opzichtig dun laagje vernis om zich belangrijker te wanen.

Ze wilden toeslaan op Paasmaandag, maar geraakten in paniek en kwamen een week eerder in actie.

Ze wilden hun daden in Parijs nog eens overdoen, maar waren met te weinig om evenveel schade te berokkenen.

De afgelopen twee dagen zijn er berichten over hoe we aan veel erger ontsnapt zijn.

Dat er nog spijkerbommen gevonden zijn tijdens huiszoekingen, samen met zware machinegeweren.

Dat de grootste bom niet ontploft is in Zaventem.

Feiten die geen troost bieden, maar wel de daders tot menselijke proporties terugbrengen.

Ondertussen is Brussel terug herstart, met het dreigingsniveau terug op drie en het volume op straat terug op elf.

Behalve donderdag om 18 uur.

We bevinden ons toevallig in de rijkere bovenstad van Brussel, waar de Louizalaan synoniem staat voor luxe. Onderweg naar de publieke lift om neer te dalen naar de armere benedenstad passeren we het immense Justitiepaleis. Een gebouw dat als sinds mensenheugenis in de steigers staat als een ideaal metafoor voor een falende justitie.

En dan van alle kanten politieauto’s, van gemarkeerde tot anonieme, waaruit gewapende gemaskerde agenten springen en zich werpen op drie mensen. We zien hoe iemand op de grond wordt geduwd en geboeid een blinddoek om krijgt.

Alles rondom komt tot stilstand, de tram, de passanten en de auto’s.

Maar niemand roept, niemand toetert, niemand trekt op.

We beleven een ongekende geconcentreerde stilte.

Voor eventjes.

Tot een motorfiets luid gas geeft en de pauzeknop weer wordt losgelaten.

(Dit artikel verscheen op zaterdag 26 maart in Het Parool.)

  • Reacties(0)//blog.joostvandecasteele.be/#post139

NOG 1

pogingen tot impactGeplaatst door Joost Vandecasteele ma, maart 21, 2016 15:16:05

(om luidop te lezen)

Sommigen zeggen dat het allemaal veranderde op een donderdag.

Toen ruimtewezens hier landden en ons vroegen of we nog een interessante planeet in het universum kenden.

We zeiden van niet, we legden uit dat we nog nogal op onszelf gefocust waren de afgelopen 20.000 jaar.

Vonden ze stom. Zeiden ze niet letterlijk, maar dat kon je wel aflezen op hun groene gezichten.

En die tentakels stonden ook duidelijk ironisch halfstok op hun kop.

We probeerden hen dan maar te paaien met een pittoreske internationale rondleiding.

Om te bewijzen dat de aarde ook wel best gezellig kon zijn.

Maar na een dag in Las Vegas en een optreden van Cirque de Soleil vertrokken ze stiekem

En ze spoten met grote letters het woord ‘SAAI’ tussen de wolken.

Iets wat we nooit meer wegkrijgen, zelfs met atoombommen.

Sommigen zeggen dat alles veranderde op een zondag

Toen die film uitkwam zonder enige aankondiging of promotie.

Een langspeelfilm over een stad zonder vaders.

Mannen bevruchten vrouwen en verlaten dan het gebied.

Niet uit luiheid of egoïsme, maar uit angst om het te verknallen.

In een tentenkamp rond het bos hebben ze zich teruggetrokken en met verrekijkers kijken ze naar hun kinderen die opgroeien zonder hen.

Elk kind mag hen bezoeken, maar geen van hen doet dat.

Ze zouden toch niet weten wat te zeggen tegen elkaar.

In de film is er één man die weigert te vertrekken.

Hij verschuilt zich in het huis waar zijn kind opgroeit.

Achttien jaar lang is hij nooit een meter verwijderd van zijn zoon

En weet de jongen van niks.

Achttien jaar fluistert hij van alles in het oor van zijn zoon en van de moeder als deze slapen.

Hij vergiftigt hen met ideeën

Tot de moeder en de zoon na achttien jaar elkaar niet meer herkennen

Overtuigd dat de ander een indringer is in hun huis.

Van achter meubels en hoeken staren ze elkaar aan, hopend dat iemand vertrekken zou.

En de vader kijkt toe, zo trots op zichzelf en zijn daden.

De film verdwijnt na een week uit de cinema en verschijnt nooit op DVD.

Sommigen zeggen dat alles veranderde op een dinsdag.

Toen men dat verborgen land ontdekte, in een werelddeel waar men nooit goed gekeken heeft.

Een land met miljoenen inwoners en een nog niet gefaalde economie.

En natuurlijk een eigen religie, want het blijven mensen.

Hun god heel anders dan onze goden.

Zonder geslacht en licht verwijfd.

Een god die zelf ook wat lispelde.

Dat stond niet in hun bijbel, dan kon men zelf horen.

Want als je iets aan hun god vroeg, antwoordde die wel

Zo luid dat iedereen ervan trilde.

Maar op den duur begon die sissende stem enorm te irriteren

En was er altijd een opkuis na een zoveelste mirakel.

Dus had dat volk al lang geleden beslist om hun god met rust te laten.

Wat die god op zijn beurt heel persoonlijk opvatte en hen begon lastig te vallen.

Door eerst te zeggen dat eigenlijk de joden gelijk hadden en de dag erna de moslims.

Maar nooit de katholieken, die god haatte de katholieken.

Wat iedereen ook wel begreep.

Maar wat op zijn beurt de paus heel persoonlijk opvatte en zijn kerk failliet verklaarde.

Met het volgende statement tijdens een persconferentie: “Laat dan maar.”

Om schulden af te betalen werd Vaticaanstad omgevormd tot het grootste spookhuis ter wereld. Met overal bisschoppen die boe moesten roepen tegen bezoekers.

Maar ze konden het proberen te bekeren niet laten en begonnen te mompelen van

“Boe en vrede zij met u. En trouwens, als zombies jou interesseren, dan moet je zeker eens de verrijzenis van Jezus Googlen.”

Sommigen zeggen dat alles veranderde op een zaterdag

Toen plots alle internetporno uitsluitend huilende acteurs toonde.

Zowel voor, tijdens en daarna zaten ze, lagen ze, hurkten ze, knielden ze te janken en te schreien als verloren gelopen kinderen met de broek op hun enkels.

Tranen vermengden zich met andere lichaamsvochten en alles werd een weinig geile brij.

Nadien stopte iedereen een beetje met neuken.

Sommigen zeggen dat alles veranderde op een woensdag.

Toen mensen uit een andere dimensie een poort opende naar de onze

En hun voeten niet veegden toen ze deze versie betraden.

Het is daarna ook niet meer goed gekomen tussen dat menselijk ras en dit menselijk ras.

Als een bende onbeleefde toeristen doken ze overal op, vooral ’s nachts.

Luid pratend in hun interdimensionale telefoons met de meest vervelende interdimensionale ringtones.

Er werden pogingen ondernomen om die andere dimensie buiten te houden

Men probeerden hen af te raden door te wijzen naar boven naar het woord ‘SAAI’ in de lucht.

Maar ze bleven opdagen en bleven foto’s nemen van elk detail die ze primitief schattig vonden. Zoals toiletten, tongzoenen, zondagsmarkten, brievenbussen en verkiezingen.

Maar voor Bella B. veranderde alles op een maandag.

Toen ze haar voor de eerste keer probeerden te vermoorden.

Bij de tweede poging was ze voorbereid en kon ze één van de daders zelf doden.

Maar dat hield hen niet tegen en de derde poging gebeurde op een vrijdag.

Waarom ze haar zochten, had ze al vanaf de eerste keer door.

Iets met tijdreizen en zo.

Maar dat is een lang verhaal, met hoofdstukken en al.



  • Reacties(0)//blog.joostvandecasteele.be/#post138

Lieve media, blijf ons bewijzen dat de werkelijkheid bovenal bizar is

pogingen tot impactGeplaatst door Joost Vandecasteele di, januari 12, 2016 11:54:28
(column voor De Morgen)

Volgens experts die graag overdrijven, is dit nieuwe millennium het ergste millennium ooit, nog erger dan die met de kruistochten en de Honderdjarige Oorlog erin. Als schermjunkies worden we ook door media bevestigd in deze gedachte en lijkt het maar een kwestie van tijd voor journaals gepaard gaan met in de linkerhoek een klok die aftelt tot het einde der tijden.

"Dit was het nieuws, nog 147 dagen voor de wereld brandt en nu tijd voor de sport."

Daarom zijn nieuwsberichten over de totale absurditeit van de realiteit zo geruststellend. Af en toe moeten we eraan herinnerd worden dat de wereld misschien eng lijkt, maar voornamelijk een onlogische knoeiboel is. Daarom ben ik de media ook zo dankbaar dat ze zichzelf opofferen om ons te tonen dat we allemaal maar wat doen door ons te gedragen als kleinmenselijke sukkels vol gebreken en onhebbelijkheden.

Ik heb het dan niet over de fantastisch gemene reactie van de VRT op de vrijzinnige verenigingen na hun kritiek inzake uitsluitend christelijke misvieringen op zondagochtend, waarna de VRT schriftelijk liet weten dat "de eucharistieviering past in een traditie van dienstverlening voor mensen die minder goed te been zijn". Een zin als een heerlijke fuck you naar zowel de vrijzinnigen, die worden afgeschilderd als een bende bejaardenhaters, als de christenen, die worden weggezet als een uitstervend ras van zwakkelingen. Wat misschien kan inspireren tot een vervolg van het boek Kruistocht in spijkerbroek getiteld Kruistocht in elektrische scootmobiel.


Maar nog schoner in het tentoonspreiden van menselijke zwakten is de hele berichtgeving omtrent het interview van Sean Penn met drugsbaron El Chapo. Als een wedstrijd om de grootste grootheidswaanzin. Want geen betere broedplaats voor ijdelheid dan media.

In de ene hoek hebben we acteur, regisseur en aanrander van Madonna Sean Penn, een man die erin slaagt om in het lange, o zo hemeltergend lange Rolling Stone-artikel over drugshandel en armoede reclame te maken voor hoe gezond avocado's wel zijn en op te scheppen dat hij niet weet hoe een laptop werkt, alsof het een ware verdienste is. Dan zwijg ik nog over de passage dat hij een laatste blik werpt op zijn penis voor deze misschien afgesneden zou worden door zijn begeleiders.

In de andere hoek hebben we drugsmiljardair Joaquí 'El Chapo' Guzmán, die gevat is omdat hij een film over zijn leven wou maken en door zijn ontmoeting met Penn getraceerd kon worden. Want hoe idioot kun je zijn om vertrouwen te hebben in de technische knowhow om onder de radar te blijven van een Hollywood-acteur die beweert dat je een universiteitsdiploma nodig hebt om een sms te versturen.

Dus de hoeveelheid ijdelheid in die kamer, ergens in de jungle, was waarschijnlijk zichtbaar vanuit de ruimte en werd opgepikt door een voorbijvliegende drone. Als er ooit een film gemaakt moet worden over zijn leven, dan biedt deze ontmoeting stof genoeg. Twee mannen in volle desillusie van hun rechtschapenheid, met een acteur die ooit zonder enige ironie verklaarde dat Amerikaanse journalisten die Hugo Chávez een dictator noemen in de gevangenis moeten (een beetje zoals dictators dat doen) en een drugsbaron die moorden in zijn opdracht omschrijft als zelfverdediging. Een extreme versie van hoe hondeneigenaars iemand anders de schuld geven omdat hun hond jou aanvalt. 'Je had maar geen bruine broek moet aantrekken, daar wordt Bobby agressief van.'

Dus lieve media, blijf ons met dit soort verhalen voeden, blijf ons bewijzen dat de werkelijkheid bovenal bizar is en dat elke mogelijke politieke of religieuze verklaring sowieso tekortschiet. Meer vreemd alstublieft.



  • Reacties(0)//blog.joostvandecasteele.be/#post137

Gamer's Block

pogingen tot impactGeplaatst door Joost Vandecasteele di, december 22, 2015 15:53:58
(Maandelijkse column voor Focus Knack)


Als deze bijdrage verwarrend klinkt, dan excuseer ik me nu al. Want deze tekst wordt een columnversie van luidop nadenken, een poging tot een hoogstwaarschijnlijk onbevredigend antwoord op mijn eigen vraag. Maar wees gerust, de vraag zelf is simpel en luidt als volgt: wat zijn de minimale voorwaarden van een game?

Natuurlijk besef ik dat deze vraag voornamelijk beantwoord wordt met “sterven = verliezen” en dat bijvoorbeeld geen enkele ‘Call of Duty’ een level bezit waarin het geweer onderaan het scherm vervangen wordt door een uitgestoken vinger om wat online tikkertje te spelen. Ook besef ik dat sommige big budget games al bekritiseerd zijn wegens onvoldoende, zoals een te korte speelduur of te ridicule Quick Time Events. Zo vraagt het vreemde spel ‘Deadly Premonition’ om op een knop te drukken om met interesse naar een kopje koffie te staren. Wat misschien geen slecht idee is voor de spelversie van het programma ‘De Rechtbank’, met als optie “Druk op X om niet tegen de beklaagde te roepen dat jouw neef van 6 jaar betere uitvluchten kan verzinnen”.


Mij interesseert echter de dunne grens tussen een interactief verhaal en een volwaardige spel. Iets wat me niet enkel bezighoudt als liefhebber van indiegames, maar ook als een nog te onkundige bedenker van één. Want enkele maanden geleden werd ik gecontacteerd door de jongens en meisjes (minus meisjes) van het spelbedrijfje Happy Volcano. Eerst hadden ze het gevraagd aan Paul Baeten Gronda en hij stuurde ze door naar mij. Hierdoor is zijn schuld vereffend bij mij en stop ik ook met de roddelwebsite gretigegrijpergronda.be.

http://www.happyvolcano.com/

In tussentijd hebben we steun verkregen van het Nederlandse Fonds der Letteren en het Vlaamse Gamefonds om samen te werken aan een literaire game, wat dat ook moge betekenen. Want volgens onbetrouwbare bronnen is er ook één op komst bedacht door de nog onbekende auteur Willem Raamkozijn waar de speler telkens 150 keer moet tappen op de iPad om naar de volgende pagina te mogen en verder te lezen over hoe zijn grootmoeder… blablabla… brieven… blablabla… WO2… blablabla… familiegeheim.

Naar mijn eigen bescheiden mening heeft Happy Volcano reeds een zeer schone gamedesign bedacht en rest mij enkel nog die kleurrijke wereld te vullen met een donker verhaal als tegengewicht. Eigenlijk een reden bedenken om een speler te lokken naar het einde.
Maar heeft de speler dan wel gespeeld of gewoon geklikt en gekeken?


Als een onervaren ontdekkingsreiziger heb ik mij ondergedompeld in andere exploratie games, een genre waarin geweld al te vaak wordt vervangen door horror. Dus weglopen in plaats van aanvallen. Met als niet te evenaren toppunt ‘P.T.’, beter bekend als 50 keer dezelfde gang van Silent Hill door moeten. Met als soortgenoten in de categorie “het spel is beter dan de titel” bestudeerde ik ook games als ‘Among the Sleep’ (vanuit het standpunt van een tweejarige) of ‘Layers of Fear’ (samen te vatten als “deurtje open, deurtje toe, pas op achter u, AAAAH.”)


Ook bij ‘Layers of Fear’ is het concept spel geminimaliseerd tot objecten vastpakken en die draaien zoals een zatlap die vergeten is hoe blikje bier werkt. En opnieuw vraag ik mij af of dat genoeg is.


Maar is dat voldoende?
Blijkbaar wel, volgens recensenten, zolang er overal bladzijden te vinden zijn gescheurd uit een dagboek. Wat ik in de echte wereld zeer creepy zou vinden.

“Honnepon, waar liggen de autosleutels?”

“Kijk eens bij het bestek, onder die pagina volgeschreven met mijn gevoelens van afgelopen dinsdag.”

“Ja gevonden, schat.”

Dus stel dat eenzelfde soort spel niks aanbieden zou van objecten, niks om vast te pakken, niks te lezen, niks in te drukken. Alleen maar kamer na kamer na kamer en soms een monster. Is dat dan te weinig? Of zolang het spannend blijft, is het dan wel oké?

De game in wording zal wegens meerdere redenen weinig gelijkenissen vertonen met de voorgaande voorbeelden. Maar hun basispremisse van vrij mogen rondlopen en toch in een richting gestuurd worden, hanteer ik ook in mijn verzinsels. Maar daardoor, in hun poging zo realistisch mogelijk te blijven, voelt elk extra spelelement als heel geforceerd. Zeker in de trant van een 18-hoekige object vinden en dat moeten meesleuren naar een toevallig 18-hoekige gat in de muur. En ik ervaar nu bij het bedenken net dezelfde paradox omwille van sporadische injecties van puzzelelementen. Of anders gezegd, ik merk dat spelen het spel verstoort. Of hoort het net zo te zijn?


http://www.polygon.com/2014/11/6/7170349/gone-home-is-a-game-though-seriously

Dat ik niet als enige met deze vraag worstel, bewijst het debat rond de game ‘Gone Home’, met een verhaal samen te vatten als “Ik ben thuis, waar zit je?” en dat een uur lang. Zonder geweld of dreiging. Enkel kijken en lezen. Maar volgens de bedenker Steve Gaynor is het weldegelijk een spel omwille van de variabele benadering door de speler zonder invloed op het einde. Of anders gezegd, omdat je kunt kiezen tussen eerst de keuken of de badkamer te bezoeken, is het per definitie een game. En misschien heeft hij gelijk. Want de fantastisch spannende ‘Sicario’ van Dennis Villeneuve en de angstaanjagende christelijke ‘Saving Christmas’ van Kirk Cameron bestempelt men ook beide als films.


En zoals verwacht eindigt deze bijdrage zonder een fractie van een antwoord. Behalve de milde geruststelling dat een sector verwikkeld in een periode van vage regels en niet vastgelegde parameters vaak het meest productief en innovatief blijkt zijn. Dus hopelijk komt er ook nooit een definitief antwoord.



  • Reacties(0)//blog.joostvandecasteele.be/#post136

Berichten uit een "belegerd" Brussel

pogingen tot impactGeplaatst door Joost Vandecasteele wo, december 02, 2015 08:10:28
(dagboek op vraag van het Algemeen Dagblad)

De afgelopen week woonde ik in een stad met de hoogste terreurdreiging en kan ik in eer en geweten meedelen dat Brussel nog nooit zo saai heeft gevoeld. Dus als het doel van terroristen erin bestond om ons ongelovigen en gelovigen, maar blijkbaar net niet gelovig genoeg, Brusselaars te irriteren, dan mogen ze 1 keer trots zijn op zichzelf. Maar ons bang maken, lukte nauwelijks.

Dit “oorlogsdagboek” zonder gruwelijke passages maar met momenten van vreselijke verveling begint op donderdag 19 november. Al dagen staat het in de sterren geschreven dat Brussel extra beveiligd zal worden, zeker nadat bekend is geraakt dat een niet ontplofte terrorist twee vrienden uit Molenbeek heeft opgebeld om hem in Parijs te komen oppikken. Wat ze ook deden, 600 kilometer heen en terug.

Van nog verder weg in de wereld zijn ook de internationale media aangekomen in Brussel en is op televisie de voorspelbare opsomming te horen van elke mogelijke beweegredenen van de terroristen. Een beetje alles behalve wat de geweldenaars zelf zeggen. Alsof die jongens ook niet goed weten waarom ze eigenlijk ontploffen. Zelfs al vertonen ze alle kenmerken van een apocalyptische sekte met een heilig geloof in een voorspoedig einde der tijden. Maar zoals alle apocalyptische sektes geloven ze ook in vals spelen en denken ze dat hun oppermachtige god toch een beetje hulp kan gebruiken om alles in de gang te steken. Hypocrisie is dan ook het voorrecht van elke religie, klein of groot, mild of extreem.

In deze dagen word ik ook, net als elke half te herkennen bekende Vlaming, opgetrommeld om mijn mening te geven en pleit ik tijdens een nieuwsuitzending om ons te verdedigen door een even fundamentalistisch staatsgodsdienst te verzinnen, met een totale absurde god. Zodat IS een beetje bang van ons wordt. En als zij zeggen dat elke afbeelding van Mohammed beledigend is, dan kunnen wij zeggen: “Dat is niks, we geloven dat elke zelfgenomen afbeelding beledigend is en daarom organiseren we elke dinsdag massale verbrandingen van selfiesticks.” En als zij zeggen dat de evolutie maar theorie is en de wereld door god geschapen is, dan kunnen wij zeggen: “Dat is niks, we geloven dat de realiteit maar een theorie is en god gelooft niet eens dat wij bestaan, daarom spelen we elke dinsdag massaal verstoppertje om hem te plezieren.”

Tot op heden nog geen bericht gekregen van officiële instanties om deze religie op te starten, maar toch geloof ik heilig dat mijn oproep tot meer absurditeit verschillende burgemeesters heeft geïnspireerd om de meest vreemde maatregelen te nemen. Zo verbiedt de gemeente Merchtem (inwoners 15.000, bekend van… ik vermoed een kerk) deze week een vredeswake om aanslagen te vermijden. Want we weten allemaal dat terroristen zoals filmtrilogieën graag in een climax eindigen en dat dus het rijtje Beiroet – Parijs – Merchtem zeker een mogelijkheid is.

Het is vrijdag 20 november, morgen kan ik mijn zoon van zes ophalen na een weekje bosklassen. Ik ben blij dat hij even ver verwijderd was van Brussel. Want alsof ze heel de tijd zich hadden verstopt achter onze groene vuilnisbakken zie ik steeds meer militairen in camouflagekleuren en met volautomatische geweren in het straatbeeld opduiken. Maar nog meer zie ik hoe steeds meer kinderen hen aanwijzen en ouders zich hurken om het uit te leggen. Ik wil zo graag weten hoe zij het verklaren. Ik wil zo graag weten wat ik zelf zeggen moet. Want sinds vandaag voelt de plechtige belofte aan de volgende generatie van nooit meer oorlog als een heel klein beetje minder onwrikbaar.

Vrijdagavond eindigt laat en dronken. Als een voorbode voor de komende dagen missen we onze laatste tram naar huis. Want de volgende ochtend wordt ons meegedeeld dat de terreurdreiging van niveau 3 naar niveau 4 is gebracht. Dat we sinds vannacht nog onveiliger zijn geworden, dat een aanslag op til is. Maar we mogen niet bang zijn, roepen politici verschrikt en blijven zelf weg van Brussel.

Zaterdag 21 november. Ik ben te laat om mijn zoon op te pikken. Elke metro en tram die ondergronds rijdt, is afgeschaft. Bussen zouden wel moeten rijden, maar meerdere buschauffeurs weigeren het depot te verlaten. Na tussenkomst van hun vakbond krijgen ze voor hun moed en opoffering 50 euro als ze het toch aandurven. Want ze schatten dat hun leven evenveel waard is als twee dvd-boxen van Game of Thrones.

De rest van het weekend wordt gekenmerkt door verveling en twijfel. Er is niks te doen en alles is gesloten. Bij gebrek aan beter vluchten we naar Gent om ons te verschuilen in een bioscoop. We zien een animatiefilm over vampiers en monsters, over hoe een grootvader vampier geen mensje als kleinkind wil en hij gooit het kind van een hoge toren. “Angst zal hem wel doen veranderen in een monster,” redeneert hij. Elke gelijkenis met huidige omstandigheden beschouw ik als toeval.

Angst voel ik zelf niet, enkel een besef dat ons iets verzwegen wordt. Voornamelijk een geldige reden waarom elke Brusselaar in permanente verdenking vertoeft. Maar op elke waarom volgt enkel een daarom.

Wanneer ik mijn zoon zondagavond naar bed stuur, is er nog niet beslist of morgen de scholen open zullen zijn. Ik zeg hem misschien en slaap wel. Maar ik vrees het ergste wanneer de Franstalige minister van onderwijs pleit voor ‘panic rooms’ in scholen. “Hallo kinderen, de sportzaal is vanaf nu een bunker en in plaats van turnen gaan we nu een uurtje ongemakkelijk naar elkaar staren.”

De volgende ochtend deel ik hem dat hij thuis moet blijven. Hij vraagt waarom. Iets over boeven die verstoppertje spelen. We hangen in ons huis, hij wordt lastig, we gaan naar buiten, de kou voelt dubbel zo scherp. De trots aangekondigde voetgangerszone in het centrum is ingepalmd door de Kerstmarkt in aanbouw en gepantserde legervoertuigen. De meeste soldaten staan opgesteld bij de Macdonald’s, vier sterren hotels en het casino, kortom onze meest belangrijke locaties.

Gelukkig is er nog ergens een pasgeboren baby te bezichtigen. In het ziekenhuis check ik maniakaal mijn telefoon om nieuws te sprokkelen. Ik hoop op een geruststellende mededeling dat morgen de schoolpoorten weer open zullen staan. Maar opnieuw komt er pas na bedtijd de mail dat hij ook dinsdag thuis moet blijven.

In Tongeren daarentegen, ver weg in Limburg, blijven scholen wel open, maar worden leerkrachten gevraagd om geen fluorescerende jassen te dragen op de fiets, om geen doelwit te zijn. En er is geen grap ter wereld die dit bericht nog belachelijker kan maken.

Dinsdag 24 november. Uit pure wanhoop spreken we af met andere ouders om onze kinderen samen te zetten. Opgefokt en uit pure verveling vliegen ze elkaar in de haren. Opnieuw beschouw ik elke gelijkenis met huidige omstandigheden als louter toeval. Ik lees over alle huiszoekingen die geen gevonden wapens opleveren, over alle arrestaties waarna bijna iedereen terug vrijgelaten wordt, over een bommengordel die in Parijs gevonden werd. Na een zoveelste politieke daarom op een journalistieke waarom verklaart een minister dat er weldegelijk een aanslag verijdeld is omdat er simpelweg geen aanslag gepleegd is. Een argument dat ik niet eens durf te gebruiken om mijn zoon te overtuigen.

Woensdag 25 november. Alsof het om een technisch defect ging, wordt alles terug opgestart. Want de horeca begon te klagen en voor deze regering zijn boze winkeluitbaters angstaanjagender dan boze terroristen. Als een terugkeer naar normaliteit gaan we naar de bibliotheek, maar om binnen te mogen moet ik gefouilleerd worden. Bij wijze van grapje wordt mijn zoon van zes ook getrakteerd op een metaaldetector. Maar het beeld stemt me zo triest, als een werkelijk gebroken belofte om hem een zorgeloze kindertijd te bezorgen. Dit is geen overwinning voor terroristen, dit is een land die zich een angstpsychose heeft aangepraat.

Donderdag 25 november. Eindelijk terug school. Maar wegens de terreurdreiging mag ik niet mee naar binnen en geen afscheid nemen op de speelplaats. Dag zeven en ouders worden nu ook als verdachten gezien. Een maatregel zo absurd dat het een eigen niveau verdient, van niveau vier naar niveau Fuck You.

Rond zeven uur ’s avonds ontvang ik een mail van school. Met de mededeling dat de terreurdreiging opnieuw gedaald is, dat een aanslag is niet meer imminent maar gewoon mogelijk zoals elke dag dit jaar. Waarom? Daarom.

Volgens de school is het echter te laat op de avond om iedereen nog te telefoneren en blijft vrijdag alles zoals vandaag aan de schoolpoort. Maar dat wil ik niet. Ik wil niet wachten tot overmorgen, ik wil niet dat we dit ooit gewoon worden.

  • Reacties(0)//blog.joostvandecasteele.be/#post135

Beste Vlaamse schrijver, schrijfster en alles ertussen

pogingen tot impactGeplaatst door Joost Vandecasteele di, november 10, 2015 13:52:45
(Briefgeheim voor DS Letteren 30/10/2015)


Aangezien we elkaar zelden treffen in de kleedkamers van de literatuur waar we onder de douche elkaars zitwonden vergelijken en vingerblaren tonen, waarna we in de cafetaria opscheppen over hoeveel woorden per dag we typen en hoeveel uitgeverijen ons per dag afwijzen (mijn persoonlijk record is drie keer nee uit Nederland op één etmaal), schrijf ik deze brief met deze simpele vraag: wat is het plan?

Doen we gewoon verder zoals altijd? Blijven we tevreden met elk om de beurt een weekje aandacht en blijven we blij dat ons boek van 90.000 woorden een recensie van 100 woorden krijgt waarvan de helft een opsomming is van zinnen die de criticus wel of niet bevallen? Als dat het plan blijft, goed voor mij.

Blijven we elkaar wat plaagstoten uitdelen omdat de ander niet identiek hetzelfde denkt over hoe lang een zin mag zijn? Blijven we deel uitmaken van een perpetuum mobile van traditie waarbij debutanten al meteen bij hun eerste boek worden bestempeld als ‘de nieuwe dinges’ of ‘voor de lezers van je weet wel wie’? Blijven we ons aangesproken voelen door opiniemakers die bij elke crisis roepen dat de schrijvers weer stil blijven, enkel en alleen omdat Tom Lanoye nog niet gereageerd heeft? Voor mij echt geen probleem, als dat het plan blijft.

Ook oké als we gewoon dankbaar blijven dat ons manuscript een voor- en een achterplat krijgt en daarom 20 euro kost met 1 euro voor ons bestemd. En niet tegenspreken als de uitgeverij ons aanmoedigt zelf zo veel mogelijk promotie te voeren op sociale media zodat talkshows ons misschien uitnodigen omdat ze een filmpje kunnen tonen dat vaagweg iets te maken heeft met één zin op pagina 8. Blijft dat het plan?

Blijven we onszelf zien als scheppers van escapistische luxeproducten voor een vergrijzende niche? Geven we de strijd tegen beeldschermen op en verklaren we hen tot winnaars? Gaan we weer braaf een beetje signeren bij de Boekenbeurs waarbij we aangestaard worden door passanten op zoek naar een BV, want waarom hebben ze anders een kaartje gekocht?

Of proberen we iets anders? Misschien al beginnen met ondankbaar te zijn voor het krimpend hoekje waarin we geduwd worden, met het verwijt dat het schrijverschap eigenlijk een dekmantel is om als luie werkloze buitenissige subsidies te vergaren. Misschien al beginnen met ontevreden te zijn met de vreselijke duffe sfeer bij voorleesavonden alsof de schrijver als een antieken relikwie moet benaderd worden. Misschien al beginnen met onbeleefd te zijn, want braaf zijn levert veel te weinig op.

Heel deze brief kunt u perfect afwimpelen door mij als jaloers op andermans kunde en gefrustreerd door eigen onkunde te bestempelen. Ook geen probleem. Maar mag ik toch nog één extra vraag stellen: vindt u het nog de moeite waard?



  • Reacties(0)//blog.joostvandecasteele.be/#post134
Volgende »