mijn aanwezigheid

mijn aanwezigheid

roman in wording, deel 2

pogingen tot impactGeplaatst door Joost Vandecasteele do, juni 29, 2017 11:04:38

4.

Enkele weken lang probeert Esther een radicale normaliteit vol te houden. Opnieuw wordt de babysit ingeschakeld op verschillende avonden, maar deze keer om als koppel te verschijnen bij feestjes van kennissen. Overdag spreekt ze af met vriendinnen van weleer en stemt ze in met elke uitnodiging. Allemaal als een poging om zich te verbergen in totale zichtbaarheid. In een tijdperk waarin elk reëel en virtueel spoor uitgewist kan worden, kiest Esther voor het omgekeerde, met een netwerk van mensen als een kluwen van veiligheidskoorden aan haar vastgeklikt. Met elk compliment over hoe lief en goedlachs ze, met elke opmerking over haar ongebreidelde spontaniteit als een extra laag over haar geconstrueerde cocon om de vrouw erin te beschermen tegen zij die haar zoeken. Want wie zou een verheven vrouw van 36 als haar kunnen verdenken van iets gruwelijks als een extreme geweldpleging.

Naarmate de dagen vervagen, groeit ze in haar rol van vrolijke vrouw. Toch van buitenaf gezien. Binnenin echter ontwikkelt haar kracht een niet te negeren frustratie en eist deze steeds meer een moment van ontlading op. En de kracht krijgt wat ze wilt op een vrijdag voormiddag.

Al sinds het ontwaken staan haar zenuwen gespannen. Geteisterd door een vermoeidheid veroorzaakt door een kotsend kind en een verkouden vent begint Esther de dag met brokken braaksel te pulken uit het langharig tapijt in de kamer van Andrew. Ze was al vanaf dag één tegen dat tapijt, maar het was een geboortecadeau geschonken door haar schoonmoeder, wat haar vrijpleitte om iets te kopen van de lijst met werkelijk nuttige attributen.

‘Ik vind dat zo onpersoonlijk, een kinderwagen,’ zei ze als verdediging.

Het misnoegen van Esther voor dat tapijt veranderde in haat wanneer ook nog eens bleek dat de Roomba robot blokkeerde aan de rand en ze steeds zelf de stofzuiger moest bovenhalen in zijn kamer. Om daarna opgeslokte Legosteentjes uit de stofzuigerzak te peuteren en af te spoelen.

Terwijl zij op haar knieën kokhalzend kots bij elkaar sprokkelt, hoort ze in de kamer ernaast de rest van haar gezin lachen met tekenfilms tot ze moeten hoesten om dan zielig te zuchten als een weinig subtiel verzoek om appelsap. Waar ze niet op ingaat. Dit patroon van gelach, gehoest en gezeur blijft zich volhouden, zonder enige reactie van Esther. Tot ze haar man hoort jammeren.

‘Schat, Edward heeft gekotst in de zetel en ik heb spatten op mij gekregen.’

Een uur later zit ze in de auto met het misselijke kind op de achterbank, op weg naar de dokter na een telefonische smeekbede. Het was Simon die haar afraadde de bus te nemen, zodat Edward niet weer overgeven zou. Maar bij elke verkeersdrempel weerklinkt achter haar die onmiskenbare klank van bijna braken, zo frequent dat het haar ook opnieuw aan het kokhalzen krijgt. En zo manoeuvreert ze zich doorheen onwillig verkeer, opgejaagd door een opdringerige Audi in haar kielzog. Hoewel noch links noch rechts plaats bestaat om haar voorbij te steken, zigzagt de wagen achter haar heen en weer, als een soort poging tot hypnose om haar aan de kant te krijgen. Maar Esther vertikt het om zich op een fietspad te begeven, ook al is er geen fietser in zicht. Ook al begint de kerel te toeteren, alsof zijn intenties nog niet duidelijk genoeg waren.

Zijn lawaai camoufleert heel even het gerinkel van haar telefoon. Net voor deze overschakelt op voicemail ziet ze dat Simon haar bereiken wil. Ze zet het op luidspreker, maar het getoeter overstemt zijn nasaal gemompel. Ze roept om zijn vraag te herhalen, maar haar zoon reageert in zijn plaats.

‘Ik heb toch niks gezegd, mama.’

‘Nee, ik heb het tegen je vader.’

Waarna Edward begint te roepen op een beat van getoeter en Simon nog steeds geen idee heeft wat er van hem verwacht wordt en zijn lijstje van wensen verder aframmelt. Zodat het allemaal samen resulteert in een kakafonie van irritante tonen.

‘Papa, papa.’

‘Toet, toet.’

‘Je weet welk bruiswater ik bedoel, niet met die heftige bubbels.’

‘Toet, toet.’

‘Papa, papa.’

‘En wel zin in iets met spaghetti vanavond.’

‘Ik wil geen spaghetti.’

‘Toet, toet.’

‘Ik wil frieten.’

‘TOOOOEEEEET.’

‘Mama, ik voel me niet goed.’

En alles komt tot een climax bij de volgende verkeersdrempel. Één die Esther te laat opmerkt en uit automatisme trapt ze op haar rem. De wagen achter haar zit zo dicht bij haar dat hij onmogelijk op tijd stoppen kan. De klap voelt als een gemene duw in de rug, Edward schuift in een schok naar voren, zijn veiligheidsriem drukt zich in zijn maag en veroorzaakt een vlaag aan braken. En dit allemaal terwijl haar onoplettende vent zijn boodschappenlijstje blijft afdreunen.

‘En van die drinkyoghurt met 300 procent van aanbevolen vitaminen erin.’

‘Nu niet, Simon.’

Esther verbreekt het contact, maar gaat er wel vanuit dat hij nog zeker een paar seconden in het ijle doorpraten zal. Ze draait zich om en aanschouwt de schade binnen op de achterbank. Daar ontdekt ze een jongentje met zijn handen geopend op de schoot om het meeste van zijn overgeefsel tevergeefs op te vangen. Bruine brokken in een romige saus van slijm en gal hebben zich verspreid over het geheel van de zetel. Zijn mond en zijn trui besmeurd met vloeibare penetrante stank.

‘Edward, schat, ik heb maar één zakdoek mee, sorry.’

Terwijl ze de zakdoek aan een snikkend kind overhandigt, ziet ze door de achterruit de man die haar aangereden heeft uit zijn wagen stapt.

‘Maar nu moet mama even iets regelen. Ik ben zo terug.’

Nog voor Esther de schade buiten aan de bumper bekijken kan, begint de man centimeters verwijderd van haar gezicht haar uit te schelden en te bedreigen. Als een lont aangestoken bij zijn eerste woord voelt ze hoe in haar binnenste een kracht zich ontplooit. Dit onderdrukken lukt haar nog net. Maar dan moet die vent wel zich dringend bedaren.

‘Jij smerige trut met je goedkope kar. Kijk wat je gedaan hebt. Als je niet kunt rijden, blijf dan van de baan.’

Ondertussen is er een andere auto achter de zijne opgedoken en begint deze op zijn beurt te toeteren. De ironie van de situatie ontgaat hem volledig en nu begint hij te roepen naar de andere chauffeur.

‘Wat zit je te toeteren, sukkel. Je ziet toch dat je er niet langs kunt.’

‘Laten we ons parkeren en papieren regelen,’ probeert Esther.

‘Ach, nu kun je wel plots aan de kant. Om andere auto’s te laten passeren. Maar als ik het vraag, blijf je egoïstisch rechtdoor rijden.’

Tot in elk uiteinde van haar lijf tiert en krijst een sensationele woede en ze voelt weer die heerlijke hitte die ze zo heeft gemist, als de nicotine van een te lang uitgestelde sigaret. Nog één woord, denkt ze, nog één verkeerd woord.

Ondertussen hebben zich zes auto’s achter hem verzameld en allen zijn ze verwikkeld in een overtreffende trap van getoeter. Een kabaal die hem doet instemmen en ze stappen hun eigen wagen in.

‘Nog eventjes geduld,’ zegt Esther tegen een rillende Edward die nauwelijks een fractie van de kots heeft weg gekregen en nu als eindresultaat ook nog eens een vuile zakdoek bezit. De twee auto’s rijden een doodlopende zijstraat in, om zeker niemand te blokkeren. Die paar seconden verwijderd van elkaar lijkt wel een kalmerend effect te hebben op beiden. Minder opgefokt dan ervoor staan ze terug oog in oog met elkaar. Esther met de aanrijdingsformulier in haar hand, de man met een opgetrokken portefeuille.

‘We gaan dat zo regelen. Oké,’ zegt hij. Niet als vraag, maar als besluit.

‘Nee,’ zegt ze even resoluut.

Maar deze simpele negatie van zijn voornemen zorgt voor een kortsluiting in zijn kop. Haar tegenspraak geïnterpreteerd als een belediging. Waardoor hij woorden als ontoereikend beschouwt en overgaat naar daden. De man haalt een biljet van vijftig euro boven en forceert het geld in haar handpalm. Vanuit de kinderachtige gedachte dat vastpakken hetzelfde betekent als het aanvaarden. Zijn nagels prikken op haar huid en verbeten probeert hij haar hand te openen. Die daad alleen al ontketent de kracht in al haar glorie. Toch houdt ze zich in. Tot…

Tot hij haar toesist: ‘Of word je meestal pas betaald na het neuken?’

In een reflex grijpt ze hem vast bij de haren en in één vloeiende beweging laat ze zijn hoofd botsen met zijn eigen motorkap. En nog een keer. En nog een keer. Telkens harder en steeds sneller. Een handeling die haar nauwelijks moeite kost. Integendeel zelfs, met elke stoot van het hoofd tegen het metaal gebeurt de versnelling vanzelf, als een perpetuum mobile van geweld. Tot zijn gezicht tot iets even onherkenbaars wordt gereduceerd als de deuk die het creëert. Esther voelt in die luttele seconden hoe zijn lijf slap wordt, hoe hij elke weerstand verliest, hoe ze hem voorbij vernedering heeft gekregen. Toch stopt ze niet. Want het voelt zo goed, zoveel deugd doet het, zo gerechtvaardigd lijkt het. Niemand die haar tegenhoudt, niks dat haar aan het twijfelen krijgt. Een genot voelt ze nu, als iets wat ze zich te lang heeft ontzegd.

‘Mama?’

Daar, op het voetpad, als een bleek wezentje van een andere planeet, staat haar zoon te staren naar het tafereel. De smerige zakdoek nog steeds vastgeklemd. Het braaksel al versteend als schubben op zijn kleren.

‘Duurt het nog lang, mama?’

In een reflex ontglipt uit haar grip de man die bewusteloos neervalt op de motorkap. Esther probeert met haar lijf zoveel mogelijk de vermorzelde vent verborgen te houden en zegt dat Edward terug instappen moet.

‘Nee. Mama is bijna klaar hier, jongen.’

Wat niet echt een leugen was.

‘Je mag vooraan zitten.’

  • Reacties(0)

Fill in only if you are not real





De volgende XHTML tags zijn toegestaan: <b>, <br/>, <em>, <i>, <strong>, <u>. CSS styles en Javascript zijn niet toegestaan.